ECLI:NL:CBB:2020:244
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over invordering dwangsom taxivervoer zonder vergunning
Appellant, werkzaam als taxichauffeur op de bel- en contractmarkt in Amsterdam, werd een last onder dwangsom opgelegd wegens het aanbieden van taxivervoer op de Amsterdamse opstapmarkt zonder Taxxxivergunning. Op 15 december 2017 werd hij staande gehouden nabij het Centraal Station, waar hij zonder vergunning taxivervoer zou hebben aangeboden. Appellant voerde aan dat hij daar niet bezig was met het ophalen van klanten en dat hij slechts op zijn telefoon keek, maar kon dit niet aannemelijk maken.
Het College baseerde zich op een rapport van bevindingen van de handhavingsambtenaar, waarin staat dat appellant met een herkenbare taxi op een als illegale opstapplaats bekende laad- en losplaats stond zonder een rit te verrichten. Volgens het toetsingskader van het College geldt dat een taxichauffeur die zonder vergunning op zo'n plek staat zonder een bestelde rit uit te voeren, wordt geacht taxivervoer aan te bieden.
Appellant bracht diverse verweren naar voren, waaronder het ontbreken van bewijs van het tijdstip en het ontbreken van bewijs van het aanbieden van taxivervoer, maar het College vond deze onvoldoende om het rapport te betwijfelen. Ook de door appellant overgelegde rittenstaat en getuigenverklaring konden het standpunt niet ondermijnen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de invordering van de dwangsom gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de invordering van de dwangsom gehandhaafd.