ECLI:NL:CBB:2020:262
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fosfaatrechtenvaststelling en proceskostenveroordeling in bestuursrechtelijke procedure
Appellant, een melkveehouder die zijn bedrijf eind 2013 heeft omgezet van rundvleesveehouderij naar melkveehouderij, betwistte de vaststelling van zijn fosfaatrechten door verweerder. Hij voerde aan ten onrechte niet als starter te zijn aangemerkt en stelde dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last voor hem vormt. Verweerder stelde dat appellant niet voldeed aan de startersregeling en dat de investeringen onder het ondernemersrisico vielen.
Het College oordeelde dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 72 van Pro het Uitvoeringsbesluit, omdat hij niet beschikte over een voor de peildatum verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van een melkveebedrijf en bovendien een bestaand bedrijf had overgenomen. De investeringen van appellant werden als niet navolgbaar beoordeeld, mede gezien de afschaffing van het melkquotum en de daaraan verbonden maatregelen die al in 2013 bekend waren.
Verder stelde het College vast dat het fosfaatrechtenstelsel geen individuele en buitensporige last oplevert, aangezien appellant de risico's van zijn investeringsbeslissingen zelf draagt. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten van appellant wegens een gebrekkige motivering in het bestreden besluit.
Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van fosfaatrechten wordt ongegrond verklaard; verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.