Appellante exploiteert een melkveebedrijf en ondervond sinds 2013 beperkingen door de ziekte van Parkinson van de ondernemer. Verweerder stelde het fosfaatrecht vast op basis van de melkproductie in 2015 en de situatie op de peildatum 2 juli 2015. Appellante voerde aan dat bij de knelgevallenregeling rekening gehouden moest worden met een prognose van het aantal dieren zonder de bijzondere omstandigheden, maar het College bevestigde dat alleen de feitelijke situatie op de peildatum en een alternatieve datum in het verleden mogen worden vergeleken.
Het College oordeelde dat verweerder terecht is uitgegaan van 24 juni 2014 als alternatieve peildatum en dat geen rekening wordt gehouden met niet gerealiseerde uitbreidingen. Verweerder had het fosfaatrecht vastgesteld op 7.365 kg, maar na een aanvullende berekening met melkproductie 2015 kwam het College tot 7.460 kg. Appellante verzette zich hier niet tegen.
Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen. Het College stelde het fosfaatrecht vast op 7.460 kg en veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten van € 2.100,- en het betaalde griffierecht van € 338,- aan appellante.