Appellant exploiteert een melkveebedrijf en betwist de vaststelling van zijn fosfaatrecht per 1 januari 2018 door verweerder, de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Hij stelt dat door overheidsbeleid, waaronder de aanleg van een provinciale weg en bedrijfsverplaatsingsplannen, hij tijdelijk minder melkvee hield en daardoor recht heeft op een verhoging van het fosfaatrecht op grond van de knelgevallenregeling.
De minister heeft het fosfaatrecht vastgesteld op basis van het aantal dieren op de peildatum 2 juli 2015, waarbij de generieke korting van 8,3% is toegepast. Het bezwaar van appellant is ongegrond verklaard en de daaropvolgende wijzigingsbesluiten hebben het fosfaatrecht bevestigd. Appellant voerde aan dat hij door het overheidsbeleid niet kon uitbreiden en dat de jongveestal leegstaat omdat hij daarvoor geen fosfaatrechten kreeg toegekend, wat een individuele en buitensporige last oplevert.
Het College oordeelt dat appellant op de peildatum niet tijdelijk minder melkvee hield en dat de knelgevallenregeling geen rekening houdt met hypothetische situaties. Verder is onvoldoende inzicht geboden in de mate van individuele last. Het fosfaatrechtenstelsel staat toe dat naast melkvee ook jongvee wordt gehouden mits over voldoende fosfaatrechten wordt beschikt. Het College constateert een motiveringsgebrek in het bestreden besluit, maar passeert dit gebrek omdat appellant daardoor niet is benadeeld.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, het betaalde griffierecht wordt aan appellant vergoed en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant ten bedrage van €525.