ECLI:NL:CBB:2020:268
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vaststelling en wijziging fosfaatrecht melkveebedrijf
Appellant exploiteert een melkveebedrijf en maakte bezwaar tegen het door verweerder vastgestelde fosfaatrecht, dat betrekking heeft op de hoeveelheid dierlijke meststoffen die hij mag produceren. Na een primaire vaststelling en een bestreden besluit volgde een vervangingsbesluit waarin het fosfaatrecht werd aangepast. Appellant voerde onder meer aan dat het aantal melkkoeien onjuist was vastgesteld, dat bijzondere omstandigheden zoals salmonellabesmetting en gezondheidsproblemen van zijn vrouw een verhoging van het fosfaatrecht rechtvaardigden, en dat de generieke korting van 8,3% ten onrechte werd toegepast.
Het College oordeelde dat verweerder bevoegd was om de fout in het bestreden besluit te corrigeren, ook al leidde dit tot een verlaging van het fosfaatrecht, zonder strijd met het verbod op reformatio in peius. De bijzondere omstandigheden bleken niet te leiden tot een verlaging van ten minste 5%, waardoor de knelgevallenregeling niet van toepassing was. Daarnaast mocht verweerder de generieke korting toepassen omdat de aangekochte landbouwgrond en de grond behorende tot de vleesveehouderij niet tot de fosfaatruimte van het melkveebedrijf op de peildatum behoorden.
Het beroep tegen het vervangingsbesluit werd ongegrond verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk wegens intrekking. Het College besloot tevens het betaalde griffierecht aan appellant te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen het vervangingsbesluit is ongegrond verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk wegens intrekking.