ECLI:NL:CBB:2020:822
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fosfaatrecht en reformatio in peius bij melkveebedrijf
Appellante exploiteert een melkveebedrijf en betwist de vaststelling van haar fosfaatrecht door verweerder. Het geschil betreft de juiste berekening van het gemiddelde aantal melk- en kalfkoeien in 2015 en de daarmee samenhangende fosfaatrechten. Verweerder heeft het fosfaatrecht verlaagd op basis van een correct vastgesteld gemiddeld aantal dieren en een lager excretieforfait.
Appellante stelt dat het bestreden besluit onjuist is en leidt tot een reformatio in peius, omdat het fosfaatrecht is verlaagd zonder dat zij bezwaar had gemaakt tegen het gemiddeld aantal melkkoeien. Verweerder betoogt dat hij ook buiten de bezwaarprocedure bevoegd was het besluit ten nadele van appellante aan te passen en dat appellante niet in haar verweermogelijkheden is geschaad.
Het College oordeelt dat het gemiddelde aantal melkkoeien juist is vastgesteld en dat het lagere excretieforfait terecht is toegepast. Het verbod op reformatio in peius is niet geschonden omdat verweerder zelfstandig bevoegd was tot verlaging. Wel is het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel vanwege het ontbreken van een toelichting op de aanpassing van het gemiddeld aantal dieren. Dit gebrek wordt echter gepasseerd omdat appellante daardoor niet is benadeeld.
Het beroep wordt ongegrond verklaard. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het fosfaatrecht van appellante wordt terecht verlaagd.