ECLI:NL:CBB:2020:277

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
14 april 2020
Publicatiedatum
14 april 2020
Zaaknummer
19/872
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep inzake besluit minister Economische Zaken en Klimaat

Appellante, vertegenwoordigd door drs. M.P.E. Muijtjens, stelde beroep in tegen een beslissing van de minister van Economische Zaken en Klimaat. Het College verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat een ondertekende machtiging niet tijdig was overgelegd, ondanks meerdere verzoeken.

Appellante deed verzet tegen deze niet-ontvankelijkverklaring en stelde dat de machtiging per gewone post was verzonden op 3 september 2019, met een gedateerde machtiging van 30 augustus 2019. Het College stelde vast dat deze brief niet was ontvangen en dat appellante geen bewijs had geleverd van verzending.

Het College oordeelde dat het risico van niet-aangetekende verzending bij appellante ligt en vond het opmerkelijk dat de machtiging ook betrekking had op het verzet zelf. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/872

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2020 op het verzet van

[naam] B.V. , te [plaats] ( [gemeente] ), appellante,

(gemachtigde in verzet: drs. M.P.E. Muijtjens)

Procesverloop

Drs. M.P.E. Muijtjens heeft het College bij brief van 13 juni 2019 bericht dat hij namens appellante beroep instelt tegen de beslissing op bezwaar van de minister van Economische Zaken en Klimaat van 14 mei 2019.
Bij uitspraak van 10 december 2019 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft tegen de uitspraak van 19 december 2019 verzet gedaan.

Overwegingen

1. Het College heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat drs. Muijtjens, na bij griffiersbrieven van 25 juni 2019, 15 augustus 2019 en 30 september 2019 in de gelegenheid te zijn gesteld alsnog een ondertekende machtiging over te leggen, dat niet heeft gedaan.
2. In verzet is naar voren gebracht dat, na ontvangst van de griffiersbrief van
15 augustus 2019, de machtiging bij brief van 3 september 2019 aan het College is gestuurd. Bij (de kopie van) de brief van 3 september 2019 is (een kopie van) een ondertekende op 30 augustus 2019 gedateerde machtiging gevoegd.
3. Het verzet is ongegrond. Bij het College is geen brief van 3 september 2019 van appellante ontvangen. In het verzetschrift is vermeld dat die brief bij gewone post is verzonden. Van die verzending is echter geen bewijs geleverd. Het risico van niet-aangetekende verzending ligt bij appellante. Het College vindt het verder opmerkelijk dat die machtiging niet alleen betrekking heeft op het instellen van beroep, maar ook op “het verzet”.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet is geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van
D.A. Bohlmeijer, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken
op 14 april 2020.
w.g. T.G.M. Simons w.g. D.A. Bohlmeijer