Appellante, vertegenwoordigd door drs. M.P.E. Muijtjens, stelde beroep in tegen een beslissing van de minister van Economische Zaken en Klimaat. Het College verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat een ondertekende machtiging niet tijdig was overgelegd, ondanks meerdere verzoeken.
Appellante deed verzet tegen deze niet-ontvankelijkverklaring en stelde dat de machtiging per gewone post was verzonden op 3 september 2019, met een gedateerde machtiging van 30 augustus 2019. Het College stelde vast dat deze brief niet was ontvangen en dat appellante geen bewijs had geleverd van verzending.
Het College oordeelde dat het risico van niet-aangetekende verzending bij appellante ligt en vond het opmerkelijk dat de machtiging ook betrekking had op het verzet zelf. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.