Appellant, een exploitant van een loonbedrijf, betwist het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit dat twee van zijn betalingsrechten zijn vervallen aan de Nationale reserve omdat deze niet zijn benut in twee opeenvolgende jaren. Het geschil spitst zich toe op de vraag of sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die het verval van deze rechten zouden kunnen voorkomen.
Het College overweegt dat appellant vanaf 9 maart 2016 bekend kon zijn met de nummers van de betalingsrechten en dat hij voorafgaand aan de uiterste datum voor het indienen van de Gecombineerde opgave 2016 had kunnen weten welke rechten hij had verhuurd. Het beroep van appellant dat hij deze informatie niet tijdig kon inzien, wordt verworpen. Ook het argument dat hij rechten zou kunnen overdragen die hij niet bezit, wordt afgewezen.
Daarnaast oordeelt het College dat de behandeling van het bezwaar en beroep de redelijke termijn van twee jaar heeft overschreden met tien maanden. Hierdoor wordt de Staat veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van € 1.000,- en vergoeding van proceskosten van € 262,50. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot vergoeding van materiële schade afgewezen.