AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Onbevoegdverklaring College van Beroep voor het bedrijfsleven inzake besluiten Kamer van Koophandel op grond van AVG
In deze zaak heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven beoordeeld of het bevoegd is om kennis te nemen van een beroep tegen een besluit van de Kamer van Koophandel op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Het betrof een bezwaarprocedure waarbij appellant beroep instelde tegen een besluit van de Kamer van Koophandel.
Het College heeft ambtshalve haar bevoegdheid onderzocht en geconcludeerd dat de AVG niet is opgenomen in de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, waardoor het beroep ingevolge artikel 8:6 AwbPro bij de rechtbank moet worden ingesteld. De memorie van toelichting bij de Uitvoeringswet AVG bevestigt dat de wetgever niet de bedoeling had dat het College bevoegd is voor dergelijke besluiten.
Daarom verklaarde het College zich onbevoegd en stuurde het beroep door naar de bevoegde rechtbank Rotterdam. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellant terugbetaald. De uitspraak onderstreept dat de rechtsbescherming bij besluiten op grond van de AVG verloopt via de rechtbank en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het College verklaart zich onbevoegd en verwijst het beroep door naar de bevoegde rechtbank.
Uitspraak
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 19/494
uitspraak van de meervoudige kamer van 21 april 2020 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] , appellant
en
de Kamer van Koophandel, verweerster
(gemachtigde: mr. P.E. Bakker)
Procesverloop
Bij besluit van 11 februari 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen het besluit van verweerder van 8 november 2018 op grond van artikel 15 vanPro de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).
Appellant heeft, in overeenstemming met de door verweerder bij de bekendmaking van het bestreden besluit gemaakte melding, bij het College beroep ingesteld.
Geen van de partijen heeft, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, binnen de hun daartoe gestelde termijn van twee weken verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht. Het College heeft vervolgens bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Het College moet allereerst ambtshalve beoordelen of het bevoegd is om van het beroep kennis te nemen. Het College is van oordeel dat dit niet het geval is.
2. Ingevolge artikel 8:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het beroep worden ingesteld bij de rechtbank, tenzij een andere bestuursrechter bevoegd is ingevolge hoofdstuk 2 van de bij de Awb behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (Bevoegdheidsregeling) dan wel ingevolge een ander wettelijk voorschrift. De AVG is niet opgenomen in de Bevoegdheidsregeling. Dat geldt ook voor de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (Uitvoeringswet). Ingevolge artikel 4 vanPro de Bevoegdheidsregeling kan tegen een besluit van de Kamer van Koophandel beroep worden ingesteld bij het College, met uitzondering van besluiten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) en besluiten ten aanzien van een persoon met betrekking tot diens in artikel 3 vanPro de Ambtenarenwet 2017 bedoelde hoedanigheid. Naar de letter brengt deze bepaling met zich dat tegen een besluit van de Kamer van Koophandel op grond van de AVG beroep zou kunnen worden ingesteld bij het College. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Uitvoeringswet leidt het College echter af dat dit niet de bedoeling van de wetgever is geweest. De memorie van toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 2017-2018, 34939, nr. 3., blz. 24-25) bevat onder meer de volgende passage:
“Het boetebesluit zal onderworpen zijn aan de gebruikelijk bestuursrechtelijke rechtsbescherming bij punitieve bestuurlijke sancties. Dit betekent allereerst dat er bezwaar openstaat tegen het opleggen van de boete. Vervolgens staat beroep open bij de bestuursrechter, en ten slotte hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.”
En voorts (Tweede Kamer, vergaderjaar 2017-2018, 34939, nr. 3., blz. 63):
“De Autoriteit Persoonsgegevens stelt dat de rechtsbescherming gebaat zou zijn bij centralisatie van rechtspraak, terwijl geschillen betreffende het verwerken van persoonsgegevens in beginsel bij allerechtbanken in Nederland kunnen worden ingesteld. De verordening verplicht niet tot concentratie van rechtspraak. Gelet op het beleidsneutrale karakter van implementatiewetgeving van Europese regelgeving, zoals de Uitvoeringswet, is centralisatie van rechtspraak dan ook niet aan de orde.”
Uit deze passages blijkt dat de wetgever voor besluiten op grond van de AVG heeft gekozen voor het algemene stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming, waarin het beroep wordt ingesteld bij de rechtbank met de mogelijkheid van hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Het College houdt het er daarom voor dat bij de Uitvoeringswet is verzuimd artikel 4 vanPro de Bevoegdheidsregeling aan te passen in die zin dat ook besluiten van de Kamer van Koophandel (en de Sociaal-Economische Raad) op grond van de AVG van de rechtsmacht (in eerste en enige aanleg) van het College worden uitgezonderd. Het aannemen van een dergelijke uitzondering sluit ook aan bij de keuze die de wetgever heeft gemaakt voor besluiten van de Kamer van Koophandel op grond van de Wob en ten aanzien van personen met betrekking tot hun hoedanigheid als bedoeld in artikel 3 (meer specifiek: artikel 3, aanhef en onder a) van de Ambtenarenwet 2017. Daarmee wordt immers bereikt dat voor eenzelfde soort besluit altijd dezelfde rechtsgang geldt, ongeacht welk bestuursorgaan het besluit heeft genomen. Ook om reden van wetssystematiek ligt het daarom in de rede ervan uit te gaan dat de wetgever heeft verzuimd artikel 4 vanPro de Bevoegdheidsregeling aldus aan te passen.
3. Het College zal zich onbevoegd verklaren en het beroep doorsturen aan de bevoegde rechtbank, de rechtbank Rotterdam. Tegen de uitspraak van de rechtbank kan vervolgens hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling.
4. Van kosten van appellant waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking kan hebben, is niet gebleken.
5. Omdat het College onbevoegd is, is (bij het College) geen griffierecht verschuldigd. De griffier van het College zal daarom het door appellant betaalde griffierecht terugbetalen.
Beslissing
Het College verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, mr. J.L.W. Aerts en mr. E.J. Daalder, in aanwezigheid van D.A. Bohlmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2020.