ECLI:NL:CBB:2020:378
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Vaststelling fosfaatrecht onder knelgevallenregeling met toepassing melkproductie 2015
Appellante maakte bezwaar tegen het door de minister vastgestelde fosfaatrecht op grond van de Meststoffenwet, waarbij de knelgevallenregeling vanwege bouwwerkzaamheden van toepassing was. De kern van het geschil betrof de juiste melkproductieperiode die moest worden gehanteerd bij de forfaitaire berekening van het fosfaatrecht.
Het primaire besluit van 5 januari 2018 stelde het fosfaatrecht vast op basis van de melkproductie in 2014, met een generieke korting. Na bezwaar en meerdere vervangingsbesluiten werd het fosfaatrecht vastgesteld op 1.423 kg, gebaseerd op melkproductie in 2014 en een alternatieve peildatum.
Tijdens de procedure gaf verweerder aan dat de melkproductie van 2015 als uitgangspunt moest gelden, in lijn met eerdere jurisprudentie. Het College oordeelde dat de knelgevallenregeling inderdaad uitgaat van de melkproductie over kalenderjaar 2015 en vernietigde het vervangingsbesluit van 15 juli 2019. Het College stelde zelf het fosfaatrecht vast op 1.445 kg, conform de nieuwe berekening.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van appellante, terwijl vergoeding van griffierecht reeds had plaatsgevonden. Het beroep tegen het bestreden besluit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat dit besluit was vervangen.
De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 2 juni 2020.
Uitkomst: Het College vernietigt het vervangingsbesluit en stelt het fosfaatrecht vast op 1.445 kg, met veroordeling van verweerder in proceskosten.