ECLI:NL:CBB:2020:388

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
9 juni 2020
Publicatiedatum
8 juni 2020
Zaaknummer
18/2774
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 MswArt. 7:12 AwbArt. 6:22 Awb
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen vaststelling fosfaatrecht bij melkveebedrijf wegens dierziekte

Appellante exploiteert een melkveebedrijf dat in 2013 en 2015 werd getroffen door uitbraken van mastitis en para-tbc, waardoor dieren moesten worden afgevoerd en de melkproductie negatief werd beïnvloed. Verweerder stelde het fosfaatrecht vast op basis van dierenaantallen en melkproductie op 2 juli 2015.

Appellante voerde aan dat de knelgevallenregeling van artikel 23, zesde lid, Meststoffenwet onjuist werd toegepast, omdat verweerder niet uitging van het hypothetische aantal dieren zonder dierziekte en een representatieve melkproductie. Het College oordeelt dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de melkproductie in 2015 als representatief geldt, wat strijdig is met artikel 7:12 Awb Pro.

Desondanks passeert het College dit gebrek op grond van artikel 6:22 Awb Pro, omdat verweerder onweersproken stelde dat zelfs met het door appellante voorgestelde excretieforfait niet aan de 5%-drempel wordt voldaan. Het beroep faalt daarom. Het verzoek tot vergoeding van proceskosten in bezwaar wordt niet gehonoreerd, omdat dit niet gemotiveerd is bestreden. Het College veroordeelt verweerder wel tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten in beroep.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard, met vergoeding van griffierecht en proceskosten aan appellante.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2774

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2020 in de zaak tussen

Melkveebedrijf [naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. R. Scholten),
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: R. Kuiper).

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.
Bij besluit van 12 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2020. Appellante is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Relevante bepalingen
1.1
Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.
1.2
Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw bepaalt de minister, indien een landbouwer voor 1 april 2018 meldt en aantoont dat het reguliere fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is (5 %-drempel) door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van de melkveestallen, het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt (de knelgevallenregeling).
Feiten
2. Appellante exploiteert een melkveehouderij. In 2013 is mastitis op het bedrijf uitgebroken. Als gevolg van de uitbraak heeft appellante 6 dieren moeten afvoeren. Begin 2015 is het bedrijf getroffen door een uitbraak van para-tbc. Als gevolg van de uitbraak zijn 10 dieren afgevoerd. In juli 2015 bleken nog 29 dieren besmet en ook deze dieren zijn afgevoerd. Op 2 juli 2015 hield appellante 182 melk- en kalfkoeien en 168 stuks jongvee.
Besluiten van verweerder
3. Bij het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 9.531 kg. Voor wat betreft de dieraantallen is verweerder uitgegaan van de aantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder is in het bestreden besluit, naar aanleiding van het bezwaar, uitgegaan van een hogere melkproductie en heeft om die reden het fosfaatrecht verhoogd naar 9.664 kg.
Beroepsgronden
4. Appellante voert aan dat verweerder onjuiste toepassing geeft aan de knelgevallenregeling. Verweerder moet uitgaan van het aantal dieren dat op het bedrijf aanwezig zou zijn geweest wanneer de dierziekte niet had ingetreden. Verder moet verweerder uitgaan van een voor appellante representatieve melkproductie. De dierziekte heeft een negatief effect gehad op de melkproductie in 2015. Ter onderbouwing van deze stelling heeft appellante resultaten van een onderzoek overgelegd waaruit blijkt dat para-tbc de productie van besmette koeien met gemiddeld 25% verlaagt.
Standpunt van verweerder
5. Verweerder ziet geen reden voor verdere verhoging van het fosfaatrecht. Bij de toepassing van artikel 23, zesde lid, van de Msw houdt hij geen rekening met niet gerealiseerde uitbreidingsplannen. Er bestaat voorts geen aanleiding om in de besluitvorming van een andere melkproductie uit te gaan. Wanneer op de alternatieve peildatum van 10 januari 2015 met het door appellante gewenste excretieforfait van 46,4 kg zou worden gerekend zou appellante nog steeds niet voldoen aan de 5%-drempel.
Beoordeling
6.1
In de knelgevallen waarin artikel 23, zesde lid, van de Msw voorziet, heeft de wetgever ervoor gekozen om niet gerealiseerde uitbreidingen niet in aanmerking te nemen bij de vaststelling van het fosfaatrecht (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:4, 11 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:232 en 5 november 2019, ECLI:NL:CBB:2019:555). Het beroep faalt in zoverre.
6.2
Voor de totale melkproductie moet, zoals is overwogen in de uitspraak van het College van 25 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:248, een periode (waar dat kan van een jaar) in aanmerking worden genomen die representatief is voor het bedrijf en aansluit bij de dierziekte. Het College is met appellante van oordeel dat de melkproductie in 2015 voor haar niet zonder meer representatief is. Vaststaat dat het bestreden besluit in zoverre dus niet met de beoogde zorgvuldigheid tot stand is gekomen en in strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet deugdelijk is gemotiveerd. Het College zal dit gebrek echter met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb passeren, omdat verweerder in het verweerschrift onweersproken heeft gesteld dat zelfs met toepassing van het door appellante bepleitte excretieforfait van 46,4 kg niet wordt voldaan aan de 5%-drempel. Dit betekent dat ook deze beroepsgrond niet slaagt.
6.3
Appellante heeft verzocht om vergoeding van de proceskosten in bezwaar. Verweerder heeft dit verzoek in het bestreden besluit gemotiveerd afgewezen. Appellante heeft dit onderdeel van het bestreden besluit niet gemotiveerd bestreden, zodat het College geen aanleiding ziet dit verzoek te honoreren.
Slotsom
7. Het beroep is ongegrond. Gezien hetgeen hiervoor onder 6.2 is overwogen ziet het College aanleiding verweerder op te dragen het door appellante in beroep betaalde griffierecht van € 338,- te vergoeden en verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 525,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 525,-).

Beslissing

Het College:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 338,- aan appellante dient te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 525,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. J.M.M. van Dalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2020.
De voorzitter is verhinderd te ondertekenen. De griffier is verhinderd te ondertekenen.