ECLI:NL:CBB:2020:388
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vaststelling fosfaatrecht bij melkveebedrijf wegens dierziekte
Appellante exploiteert een melkveebedrijf dat in 2013 en 2015 werd getroffen door uitbraken van mastitis en para-tbc, waardoor dieren moesten worden afgevoerd en de melkproductie negatief werd beïnvloed. Verweerder stelde het fosfaatrecht vast op basis van dierenaantallen en melkproductie op 2 juli 2015.
Appellante voerde aan dat de knelgevallenregeling van artikel 23, zesde lid, Meststoffenwet onjuist werd toegepast, omdat verweerder niet uitging van het hypothetische aantal dieren zonder dierziekte en een representatieve melkproductie. Het College oordeelt dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de melkproductie in 2015 als representatief geldt, wat strijdig is met artikel 7:12 Awb Pro.
Desondanks passeert het College dit gebrek op grond van artikel 6:22 Awb Pro, omdat verweerder onweersproken stelde dat zelfs met het door appellante voorgestelde excretieforfait niet aan de 5%-drempel wordt voldaan. Het beroep faalt daarom. Het verzoek tot vergoeding van proceskosten in bezwaar wordt niet gehonoreerd, omdat dit niet gemotiveerd is bestreden. Het College veroordeelt verweerder wel tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten in beroep.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard, met vergoeding van griffierecht en proceskosten aan appellante.