ECLI:NL:CBB:2020:424
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling subsidiabele landbouwgrond en toepassing 2%-marge bij GLB-betalingen
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarin de basis- en vergroeningsbetaling voor 2018 werd vastgesteld. Het geschil betreft de oppervlakte van subsidiabele landbouwgrond, waarbij appellant meent dat de door verweerder gehanteerde 2%-marge niet juist is toegepast en dat bepaalde percelen onterecht zijn afgewezen vanwege greppels, verruiging, en waterstanden.
Het College heeft de aangevoerde gronden van appellant onderzocht, waaronder de aanwezigheid van greppels die volgens appellant niet subsidiabel zouden zijn, de toepassing van de 90-dagenregeling in het kader van ANLb-beheer, en de beoordeling van verruiging en slootgrenzen bij diverse percelen. Uit de luchtfoto’s en overgelegde stukken blijkt dat de verschillen binnen de 2%-marge vallen en dat de greppels vaak het hele jaar onder water staan, waardoor zij niet subsidiabel zijn.
Het College bevestigt dat de 2%-marge conform Verordening 640/2014 correct is toegepast en dat er geen duidelijke veranderingen in het veld zijn die een afwijking rechtvaardigen. Ook is vastgesteld dat de smalle stroken grond bij slootkanten geen kruidachtige gewassen bevatten en dus niet subsidiabel zijn. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.