ECLI:NL:CBB:2020:451
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vaststelling fosfaatrecht op grond van Meststoffenwet afgewezen
Appellante, een melkveehouderij, stelde beroep in tegen het besluit van verweerder waarin haar fosfaatrecht werd vastgesteld op basis van de situatie per 15 mei 2015, waarbij een korting werd toegepast wegens niet-volledige grondgebondenheid.
Appellante voerde aan dat de peildatum onredelijk was, dat zij door deelname aan een ruilverkaveling percelen verkreeg na de peildatum, en dat het fosfaatrechtenstelsel haar eigendomsrechten schond. Tevens stelde zij dat het stelsel een individuele en buitensporige last voor haar vormde.
Het College oordeelde dat de wet en het uitvoeringsbesluit geen ruimte bieden voor een andere peildatum dan 15 mei 2015 en dat appellante niet voldeed aan de voorwaarden voor een verhoging van haar fosfaatrecht. Het betoog over schending van eigendomsrechten werd verworpen op basis van eerdere jurisprudentie. Ook werd geoordeeld dat de last niet individueel en buitensporig was, mede omdat de generieke korting door alle niet-grondgebonden melkveehouders wordt gedragen.
Het beroep werd ongegrond verklaard, het betaalde griffierecht werd aan appellante vergoed en verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het besluit tot vaststelling van fosfaatrechten wordt ongegrond verklaard.