Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2020 in de zaak tussen
[naam] C.V., te [plaats] , appellante
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
– door appellante ingetekende – zandpaden waarneembaar op de percelen 1, 16, 24 en 25. Het College acht het niet aannemelijk dat sprake is van grasland, zoals appellante betoogt. De paden hebben een duidelijk afwijkende kleur, grijsachtig, ten opzichte van de omringende gronden, die als grasland, respectievelijk snijmais zijn goedgekeurd. Verweerder heeft hiermee afdoende gemotiveerd dat de desbetreffende zandpaden niet-subsidiabel zijn en de zandpaden terecht afgekeurd. Ten aanzien van de gedeelten van de percelen 1, 16, 24, 25, 26 en 31 waarop volgens verweerder zand zichtbaar is, is het College van oordeel dat uit de desbetreffende luchtfoto’s duidelijk blijkt dat sprake is van zand. De afgekeurde delen zijn met name op de zomerfoto’s 2015 (de lage resolutiefoto’s) bruin- dan wel grijsachtig van kleur en hebben een duidelijk afwijkende structuur ten opzichte van de delen van deze percelen die wel als subsidiabel zijn aangemerkt. Verweerder heeft de desbetreffende perceelgedeelten dan ook terecht afgekeurd. Het voorgaande leidt tevens tot de conclusie dat verweerder de percelen 16, 24 en 25 terecht heeft gesplist. De beroepsgrond van appellante slaagt niet.