ECLI:NL:CBB:2021:1012

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
23 november 2021
Publicatiedatum
18 november 2021
Zaaknummer
20/1092
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • T. Pavićević
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 Verordening (EU) nr. 1307/2013Art. 4 Verordening (EU) nr. 1307/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling subsidiabiliteit rand watergang en verbindingsstrook GLB-betalingen en verjaring terugvordering

Appellante, een vennootschap onder firma, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit tot herberekening van de basis- en vergroeningsbetalingen over 2017 en de terugvordering van een te veel uitbetaald bedrag. Het geschil betreft de subsidiabiliteit van de rand van een watergang en een verbindingsstrook op twee percelen landbouwgrond, alsmede de vraag of de terugvordering van het teveel betaalde bedrag is verjaard.

Verweerder heeft de oppervlakte van de percelen verlaagd vanwege de aanwezigheid van een watergang met een zanderige rand die volgens hem niet subsidiabel is. Appellante betoogt dat deze randen wel subsidiabel zijn omdat er gras- en kruidachtige vegetatie op groeit en dat de verbindingsstrook ten onrechte is aangemerkt als niet subsidiabel, waardoor de splitsing van perceel 39 onterecht is.

Het College heeft op basis van luchtfoto’s vastgesteld dat de rand van de watergang en de verbindingsstrook een afwijkende structuur en kleur hebben, die duidt op zandbedekking en niet op vegetatie. Omdat zandgronden niet als landbouwareaal kwalificeren, is de oppervlaktecorrectie en de splitsing van het perceel terecht. Daarnaast is geoordeeld dat de terugvordering niet is verjaard, omdat deze binnen de wettelijke termijn van vier jaar na het oorspronkelijke besluit tot uitbetaling is ingesteld.

Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de herberekening en terugvordering is ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/1092

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 november 2021 in de zaak tussen

Vennootschap onder firma [naam] , te [woonplaats] , appellante

(gemachtigde: ir. S. Boonstra),
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. L. Anvelink en R. Schoon).

Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) de uitbetaling van de betalingsrechten (basisbetaling) en de vergroeningsbetaling van appellante voor het jaar 2017 herberekend en opnieuw vastgesteld. Het teveel uitbetaalde bedrag heeft verweerder van appellante teruggevorderd.
Bij besluit van 28 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder appellantes bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Op 11 mei 2017 heeft verweerder van appellante een Gecombineerde Opgave (GO) 2017 ontvangen waarin appellante heeft verzocht om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling. Appellante heeft daarbij opgegeven dat haar bedrijf beschikt over in totaal 156,05 hectare (ha) subsidiabele oppervlakte, waarvan de percelen 39 en 73 met een oppervlakte van respectievelijk 4,80 ha en 7,50 ha deel uitmaken.
2. In een eerder besluit van 16 februari 2018 heeft verweerder de basis- en vergroeningsbetaling voor appellante vastgesteld in lijn met voornoemde gegevens.
3. In het primaire besluit heeft verweerder een herberekening gemaakt en geoordeeld dat de totale subsidiabele oppervlakte van appellantes bedrijf geen 156,05 ha maar 155,36 ha bedraagt. Als gevolg hiervan zou er € 231,86 te veel aan basis- en vergroeningsbetaling aan appellante zijn uitbetaald; verweerder heeft dit bedrag van appellante teruggevorderd.
4. In zowel het bestreden besluit als het verweerschrift heeft verweerder het standpunt zoals weergegeven in onderdeel 3 gehandhaafd en op basis van de luchtfoto’s aanvullend gemotiveerd dat zowel perceel 39 als perceel 73 – vanwege de aanwezigheid van een watergang in het midden van de percelen – moet worden gesplitst (in respectievelijk de percelen 39 en 109 en de percelen 73 en 110). Verder heeft verweerder de oppervlakte van die percelen verlaagd naar respectievelijk 4,53 ha (percelen 39 en 109) en 7,21 ha (percelen 73 en 110), omdat de rand van de watergang volgens verweerder zanderig is en om die reden niet subsidiabel is.
5. Appellante stelt in beroep – kort weergegeven – dat verweerder de oppervlakte van de percelen 39 en 109 dan wel 73 en 110 ten onrechte kleiner heeft vastgesteld. Volgens appellante is de rand van de watergang wel degelijk subsidiabel, nu daarop een gras- en kruidachtige vegetatie is te zien. Hetzelfde geldt voor de verbindingsstrook aan de westzijde van perceel 39, aangezien daar (opkomend) gras op groeit. Verder merkt appellante op dat, nu de verbindingsstrook subsidiabel is, verweerder perceel 39 ten onrechte heeft gesplitst in de percelen 39 en 110. Tot slot stelt appellante dat verweerder te laat is met de terugvordering.
6. Het College overweegt als volgt. Voor de vaststelling van het bedrag aan basisbetaling en de vergroeningsbetaling is van belang dat het – kort gezegd – moet gaan om subsidiabele hectares. Onder 'subsidiabele hectare' wordt verstaan ieder landbouwareaal van het bedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of dat, indien het areaal ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt (artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013). Onder 'landbouwareaal' wordt onder meer verstaan om het even welke grond die wordt gebruikt als bouwland, als blijvend grasland en blijvend weiland, of voor blijvende teelten (artikel 4, eerste lid, onder e, van Verordening 1307/2013). De oppervlakte moet daarom, om subsidiabel te zijn, landbouwareaal zijn, deel uitmaken van het bedrijf van de landbouwer en worden gebruikt voor landbouwdoeleinden of bij gelijktijdig ander gebruik overwegend worden gebruikt voor dergelijke doeleinden (vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, Demmer, C-684/13, ECLI:EU:C:2015:439, p. 54).
7. Wat betreft de rand van de watergang stelt het College op basis van de door verweerder overgelegde en ter zitting digitaal getoonde luchtfoto’s uit 2017 vast dat deze een afwijkende structuur en kleur – bruin- dan wel grijsachtig – heeft ten opzichte van de omliggende gronden, die verweerder wel als subsidiabel heeft aangemerkt. Het College acht het dan ook niet aannemelijk dat het hier zou gaan om gras- en kruidenachtige vegetatie, zoals appellante stelt, en ziet aanleiding om verweerder te volgen in zijn betoog dat de rand van de watergang bedekt is met zand. Omdat zandgronden niet kwalificeren als landbouwareaal, heeft verweerder de rand van de watergang terecht niet meegeteld bij het aantal subsidiabele hectares. Hetzelfde geldt voor de verbindingsstrook aan de westzijde van perceel 39, nu deze over dezelfde kenmerken beschikt als de rand van de watergang. Uit het voorgaande volgt dat verweerder de oppervlakte van de percelen 39 en 109 dan wel 73 en 110 juist heeft vastgesteld, en dat verweerder, nu de verbindingsstrook niet subsidiabel is, terecht tot splitsing van perceel 39 is overgegaan (vergelijk de uitspraak van het College van 4 augustus 2020, ECLI:NL:CBB:2020:504, onder 5.4).
8. Appellante stelt dat verweerder te laat is met de terugvordering. Voor zover appellante hiermee beoogt heeft te betogen dat sprake is van verjaring, verwijst het College naar de uitspraak van 17 september 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:425) waarin reeds is geoordeeld dat voor de terugvordering een verjaringstermijn van vier jaar geldt. Deze termijn gaat lopen op de dag waarop de onregelmatigheid is ontstaan, te weten de datum waarop het besluit tot uitbetaling van de betalingsrechten is genomen. Dit was op 16 februari 2018. Nu het primaire besluit binnen vier jaar na 16 februari 2018 is genomen, namelijk op 10 juli 2020, is van verjaring van het recht op terugvordering geen sprake.
9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. M.R. Broeze, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 november 2021.
De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen de uitspraak te ondertekenen