Appellante exploiteert een biologisch melkveebedrijf met Jersey-koeien en betwist de vaststelling van haar fosfaatrecht door verweerder. Zij stelt dat voor de bepaling van de grondgebondenheid uitgegaan moet worden van haar werkelijke melkproductie en een lagere fosfaatexcretie, mede vanwege haar zelfzuivelende bedrijfsvoering en het gebruik van Jersey-ras jongvee.
Verweerder heeft het fosfaatrecht vastgesteld op basis van forfaitaire normen uit de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet en een generieke korting van 8,3% toegepast. Appellante betoogt dat deze normering niet recht doet aan haar specifieke situatie en dat de fosfaattoestand van een perceel onjuist is vastgesteld.
Het College volgt appellante niet in haar betogen. De forfaitaire normen zijn volgens het College niet onrechtmatig en bieden geen ruimte voor afwijking op basis van werkelijke melkproductie of ras. Ook is de fosfaattoestand van het perceel correct vastgesteld. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar het College beveelt wel vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten aan appellante toe vanwege een motiveringsgebrek in het bestreden besluit dat echter niet tot benadeling heeft geleid.