ECLI:NL:CBB:2020:525
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Beoordeling individuele en buitensporige last fosfaatrechtenstelsel bij melkveehouderij
Appellante, een melkveehouderij, voerde beroep aan tegen het door de minister vastgestelde fosfaatrecht op grond van de Meststoffenwet. Zij stelde dat zij een individuele en buitensporige last draagt omdat zij al voor 2 juli 2015 vergunningen had en investeringen deed voor uitbreiding van haar bedrijf, die door het fosfaatrechtenstelsel niet volledig benut kunnen worden.
Het College overwoog dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met het recht op eigendom zoals neergelegd in het Eerste Protocol bij het EVRM. De last ontstaat op 1 januari 2018 en wordt beoordeeld op individuele en buitensporige aard. Hoewel appellante financieel fors wordt geraakt, is dit onvoldoende om van een buitensporige last te spreken.
Het College benadrukte dat investeringsbeslissingen ondernemersrisico's inhouden en dat appellante zich bewust had moeten zijn van mogelijke productiebeperkingen door het fosfaatrechtenstelsel. De bijzondere omstandigheden zoals de depressie en het overlijden van een maat konden het oordeel niet wijzigen.
Het belang van milieu- en volksgezondheid en het voldoen aan de Nitraatrichtlijn wegen zwaarder dan de belangen van appellante. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar appellante krijgt vergoeding van griffierecht en proceskosten toegekend vanwege een motiveringsgebrek in het bestreden besluit.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het fosfaatrecht wordt bevestigd.