ECLI:NL:CBB:2020:551

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
18 augustus 2020
Publicatiedatum
17 augustus 2020
Zaaknummer
19/1059, 19/1061 t/m 1064, 19/1066 t/m 1069, 19/1071 en 19/1073
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid beroepen wegens niet tijdig betalen griffierecht ongegrond verklaard

Appellanten, bestaande uit 92 pluimveehouders, hadden beroep ingesteld tegen besluiten van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit betreffende een diergezondheidsheffing. Een deel van deze beroepen werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet of niet tijdig was betaald. Hiertegen werd verzet ingesteld.

De gemachtigde van appellanten voerde aan dat er intensief contact was geweest met de griffie om de zaken efficiënt te behandelen, vooral in de vakantieperiode, maar dat het op het laatste moment niet mogelijk bleek om de betalingstermijn te verlengen. Desondanks was het niet tijdig betalen van het griffierecht niet verschoonbaar.

Het College oordeelde dat appellanten voldoende waren herinnerd aan de betalingstermijn en dat er geen reden was om uitstel te verlenen. De verantwoordelijkheid voor tijdige betaling lag bij appellanten. Daarom werden de verzetten ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring wegens niet tijdige betaling van het griffierecht is ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 19/1059, 19/1061, 19/1062, 19/1063, 19/1064, 19/1066, 19/1067, 19/1068, 19/1069, 19/1071 en 19/1073

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 augustus 2020 op de verzetten van

V.O.F. [appellante 1] , te [plaats 1] , appellante inzake 19/1059,
[appellante 2] V.O.F., te [plaats 2] , appellante inzake 19/1061,
Maatschap [appellante 3] , te [plaats 3] , appellante inzake 19/1062,
[appellante 4] B.V., te [plaats 4] , appellante inzake 19/1063,
Pluimveebedrijf [appellante 5] , te [plaats 5] , appellante inzake 19/1064,
Maatschap [appellante 6] , te [plaats 6] , appellante inzake 19/1066,
[appellante 7] Pluimvee B.V., te [plaats 7] , appellante inzake 19/1067,
Maatschap [appellante 8] , te [plaats 8] , appellante inzake 19/1068,
[appellante 9] , te [plaats 9] , appellante inzake 19/1069,
[appellante 10] V.O.F., te [plaats 10] , appellante inzake 19/1071,
[appellante 11] , te [plaats 11] , appellante inzake 19/1073
(gemachtigde: J.A. Brok)

Procesverloop

Appellanten hebben beroep ingesteld tegen de besluiten van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (minister) van respectievelijk 9 mei 2019, 16 mei 2019, 22 mei 2019, 24 mei 2019 en 18 juni 2019. Bij die besluiten heeft de minister de bezwaren van appellanten tegen besluiten over een diergezondheidsheffing ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 november 2019 heeft het College de beroepen met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk verklaard.
Appellanten hebben tegen deze uitspraak verzet gedaan. De verzetten zijn behandeld ter zitting van 8 juli 2020. De minister heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
Appellanten hebben tegen deze uitspraak verzet gedaan. De verzetten zijn behandeld ter zitting van 8 juli 2020. Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De minister heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

Overwegingen

1. De gemachtigde van appellanten heeft namens 92 pluimveehouders beroep ingesteld tegen in totaal 93 beslissingen op bezwaar over een diergezondheidsheffing. In een deel van de ingediende beroepen is het griffierecht betaald binnen de daarvoor gestelde termijn. In een ander deel van de beroepen is het griffierecht niet of niet tijdig betaald. Die laatste beroepen zijn op die grond niet-ontvankelijk verklaard. Dat geldt ook voor de beroepen die ten grondslag liggen aan de uitspraak van het College van 12 november 2019 waartegen de voorliggende verzetten zijn gericht.
2. De gemachtigde heeft in verzet aangevoerd dat er veel is gecommuniceerd met de griffie van het College om op efficiënte wijze deze zaken af te handelen, precies in de vakantieperiode. Op het laatste moment is gebleken dat dit niet geregeld kon worden. Als gevolg daarvan moesten alle 92 pluimveehouders worden geïnformeerd en moest aan hen worden gevraagd om tijdig het griffierecht te betalen. Deels is dat gelukt en deels niet.
3. De verzetten zijn ongegrond. Appellanten zijn er bij griffiersbrief van 16 augustus 2019 aan herinnerd dat het griffierecht uiterlijk binnen vier weken na die brief moest worden betaald. In een telefoongesprek met de griffie op 22 augustus 2019 is de gemachtigde van appellanten erop gewezen dat er geen uitstel kon worden verleend van deze termijn. Er is geen verschoonbare reden voor het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht. Ondanks dat het om een groot aantal beroepen gaat, is het de verantwoordelijkheid van appellanten om het griffierecht tijdig te betalen. De beroepen zijn daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten van de verzetten is geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart de verzetten ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van mr. L.N. Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2020.
w.g. T.G.M. Simons w.g. L.N. Foppen