ECLI:NL:CBB:2020:560
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassing excretieforfait bij tijdelijke dierhouderij volgens Meststoffenwet
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft appellante beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over de vaststelling van het fosfaatrecht op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet.
Appellante voerde aan dat een hoger excretieforfait van 44,2 kg per koe toegepast moest worden, gelijk aan het forfait van de maatschap Menkveld-de Haan, waarvan de koeien tijdelijk bij haar waren ingeschaard. Het College oordeelde echter dat het wettelijke kader geen aanknopingspunt biedt voor deze stelling. De forfaitaire productienorm moet worden vastgesteld door de hoeveelheid geproduceerde melk te delen door het gemiddeld aantal gehouden melkkoeien, zoals verweerder ook heeft gedaan.
Omdat de hoeveelheid geproduceerde melk op het bedrijf van appellante in 2015 vrijwel nihil was, was het niet onredelijk dat verweerder het laagste excretieforfait van 32,4 kg toepaste in plaats van dat van de uitschaarder. Verder aangevoerde argumenten vielen buiten de reikwijdte van het geding. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het lagere excretieforfait wordt bevestigd.