Appellante exploiteert een melkveehouderij met twee locaties en stelde beroep in tegen het besluit van de minister van Landbouw over de vaststelling van haar fosfaatrecht op basis van het aantal melk- en kalfkoeien op 2 juli 2015.
Zij betoogde dat dieren ten onrechte in een lagere diercategorie waren ingedeeld en dat zij een individuele en buitensporige last ondervond vanwege investeringen en diergezondheidsproblemen. Verweerder stelde dat het aantal dieren correct was vastgesteld en dat de investeringen vooruitliepen op vergunningen, waardoor geen sprake was van een buitensporige last.
Het College oordeelde dat de wet vereist dat dieren ten minste eenmaal hebben gekalfd om in diercategorie 100 te worden ingedeeld, hetgeen bij 25 dieren niet het geval was. De knelgevallenregeling was niet van toepassing omdat de 5%-drempel niet werd gehaald. Ook was de uitbreiding van het bedrijf niet navolgbaar gezien het tijdstip en het ontbreken van noodzaak, mede gelet op de afschaffing van het melkquotum.
Het beroep werd ongegrond verklaard, maar het College veroordeelde verweerder tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van appellante. Het verzoek tot vergoeding van deskundigenkosten werd afgewezen wegens onvoldoende specificatie.