Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
[naam 2] RA, betrokkene,
College van Beroep voor het bedrijfsleven
De vennootschap onder firma [naam 1] stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de accountantskamer van 29 mei 2019 op een klacht tegen een accountant. Het hoger beroep werd ingesteld op grond van artikel 43 van Pro de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra).
Het beroepschrift bevatte echter geen gronden van het hoger beroep. De appellant werd bij aangetekende brief in de gelegenheid gesteld deze alsnog binnen zes weken in te dienen, maar gaf geen gehoor aan dit verzoek. Ook een tweede verzoek bleef onbeantwoord.
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven constateerde dat geen gronden waren ingediend en dat geen feiten of omstandigheden waren aangevoerd die het verzuim konden rechtvaardigen. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
De beslissing werd genomen op basis van hoofdstuk V van de Wtra en is uitgesproken door een meervoudige kamer van het College op 29 september 2020.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden binnen de gestelde termijn.