Appellant werd een last onder dwangsom opgelegd wegens het verrichten van taxivervoer zonder vergunning, met een dwangsom van €10.000 per overtreding. Dit besluit werd bevestigd na bezwaar. Tevens werd een deel van de dwangsom (€2.400) ingevorderd wegens overtreding van de last.
Het College oordeelt dat het opleggen van de last onder dwangsom rechtmatig is en de hoogte ervan niet disproportioneel, ondanks de persoonlijke omstandigheden van appellant zoals schuldsanering en psychische problematiek. Het beroep tegen deze last wordt daarom ongegrond verklaard.
Ten aanzien van de invordering van de dwangsom stelt het College vast dat appellant de overtreding heeft begaan en dat de invordering in beginsel terecht is. Echter, gezien de financiële draagkracht en psychische situatie van appellant is het invorderingsbedrag van €2.400 te hoog. Het College matigt dit bedrag tot €1.224, met een betalingsregeling van €51 per maand gedurende twee jaar.
Het College vernietigt het bestreden invorderingsbesluit en herroept het primaire invorderingsbesluit, stelt het nieuwe invorderingsbedrag vast en veroordeelt verweerder tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van appellant.