ECLI:NL:CBB:2020:788
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vaststelling fosfaatrechten onder Meststoffenwet
Appellante, een melkveehouderij in Nederland, had beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Landbouw tot vaststelling en verhoging van haar fosfaatrechten op grond van de Meststoffenwet. Zij stelde dat het fosfaatrechtenstelsel haar recht op eigendom schendt en dat zij door investeringen in uitbreiding van haar bedrijf onredelijk wordt benadeeld.
Het College overwoog dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Verder oordeelde het College dat niet ieder vermogensverlies door het stelsel een individuele en buitensporige last vormt. Appellante droeg zelf de risico’s van haar investeringsbeslissingen en kon de nadelige gevolgen daarvan niet afwentelen op het collectief.
Het College wees erop dat appellante in maart 2015 begon met de uitbreiding en dat zij toen rekening had moeten houden met de afschaffing van het melkquotum en de gevolgen daarvan. De vermeende bedrijfseconomische noodzaak voor de uitbreiding was niet onderbouwd. Ook was er geen sprake van een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek in het bestreden besluit.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot vaststelling van fosfaatrechten wordt ongegrond verklaard.