ECLI:NL:CBB:2020:81
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid en beoordeling Ctgb bij vaststelling gevarenaanduidingen biociden
Appellante Chugoku Paints heeft bij het Ctgb toelatingen aangevraagd voor biociden met werkzame stoffen koperpyrithion en dikoperoxide. Het Ctgb verleende toelatingen met etiketteringsvoorschriften, waaronder gevarenaanduidingen die het Ctgb zelf heeft vastgesteld op basis van de Biocidenverordening en CLP-verordening. Appellante was het niet eens met de door het Ctgb vastgestelde gevarenaanduidingen en stelde dat het Ctgb deze niet zelf mocht bepalen, maar de indeling van de fabrikant moest volgen.
Het College oordeelt dat het Ctgb op grond van de Biocidenverordening bevoegd is om bij toelating van biociden de gevarenaanduidingen zelf vast te stellen en niet gebonden is aan de indeling van de fabrikant. De CLP-verordening laat de Biocidenverordening onverlet en voorziet in een harmonisatie die ruimte laat voor verschillende indelingen bij niet-geharmoniseerde stoffen.
Verder heeft het College geoordeeld dat het Ctgb terecht is uitgegaan van het Assessment Report en de BPC-opinie als actuele wetenschappelijke gegevens, ook al zijn deze ouder dan de veiligheidsinformatiebladen van de fabrikant. De berekening van de inhalatietoxiciteit door het Ctgb is juist, waarbij de bijdrage van koperpyrithion terecht is meegenomen. De argumenten van appellante over biologische beschikbaarheid en de gebruikte studies zijn onvoldoende onderbouwd.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit van het Ctgb blijft in stand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van het Ctgb wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.