ECLI:NL:CBB:2020:854
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vaststelling fosfaatrecht onder Meststoffenwet wegens onvoldoende onderbouwing individuele en buitensporige last
Appellante, een vennootschap onder firma die een melkveehouderij exploiteert, stelde beroep in tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarbij het fosfaatrecht op haar bedrijf werd vastgesteld volgens de Meststoffenwet. Het fosfaatrecht werd bepaald op basis van het aantal dieren op 2 juli 2015, met toepassing van een generieke korting.
Appellante voerde aan dat het fosfaatrechtenstelsel niet noodzakelijk is volgens de Nitraatrichtlijn, dat het stelsel ongeoorloofde staatssteun inhoudt, en dat het besluit een individuele en buitensporige last oplegt, mede door investeringen en het feit dat de beoogde dierenaantallen op 2 juli 2015 nog niet waren bereikt. Zij stelde tevens dat het bestreden besluit onvoldoende was gemotiveerd.
Het College oordeelde dat de bewijslast voor een individuele en buitensporige last bij appellante ligt en dat zij deze niet heeft voldaan. Zij verwees slechts naar eerdere bezwaarmotieven zonder nadere onderbouwing waarom de motivering ontoereikend zou zijn. Ook werden eerdere uitspraken bevestigd waarin het fosfaatrechtenstelsel niet in strijd werd geacht met de Nitraatrichtlijn of staatssteunregels.
Daarom verklaarde het College het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 17 november 2020.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het besluit tot vaststelling van het fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.