ECLI:NL:CBB:2020:885

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
1 december 2020
Publicatiedatum
30 november 2020
Zaaknummer
19/836
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 MswArt. 1 EPArt. 5 lid 5 Richtlijn 91/676/EEGArt. 107 VWEU
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling fosfaatrechtenstelsel in overeenstemming met Meststoffenwet en EU-regelgeving

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarin het fosfaatrecht voor haar bedrijf is vastgesteld op basis van de Meststoffenwet. Zij betoogde dat het fosfaatrechtenstelsel geen toereikende grondslag heeft in de Nitraatrichtlijn, niet noodzakelijk is voor het bereiken van de doelstellingen daarvan, en dat het stelsel ongeoorloofde staatssteun oplevert. Tevens stelde zij dat het bestreden besluit gebrekkig was gemotiveerd.

Het College heeft het beroep inhoudelijk beoordeeld zonder dat partijen bij de zitting aanwezig waren. Het verwijst naar eerdere uitspraken waarin reeds is vastgesteld dat het fosfaatrechtenstelsel verenigbaar is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en niet in strijd is met de Nitraatrichtlijn. Daarnaast is door de Europese Commissie het stelsel goedgekeurd als milieumaatregel die voldoet aan de staatssteunregels van de EU.

Het College oordeelt dat de motivering van het bestreden besluit toereikend is en dat de aangevoerde bezwaren niet slagen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep tegen het fosfaatrechtenbesluit wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/836

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 december 2020 in de zaak tussen

V.O.F. [naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. E.H.E.J. Wijnen),
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Kuiper).

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.
Bij besluit van 25 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het College heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 8 oktober 2020. Partijen zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

Relevante bepalingen
1.1
Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.
1.2
Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.
Besluiten van verweerder
2. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 6.653 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder heeft de generieke korting van 8,3% toegepast. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.
Beroepsgronden
3. Appellante voert –samengevat – aan dat artikel 5, vijfde lid, van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (de Nitraatrichtlijn) geen toereikende grondslag biedt voor het fosfaatrechtenstelsel. Dat stelsel is ook niet nodig om de doelstellingen van de Nitraatrichtlijn te bereiken. Voor zover aanvullende maatregelen wel noodzakelijk zijn, betoogt appellante dat het fosfaatrechtenstelsel ongeoorloofde staatssteun oplevert, omdat klaarblijkelijk niet aan de norm van 50 mg/l wordt voldaan. Verder heeft verweerder het bestreden besluit gebrekkig gemotiveerd door het betoog ten aanzien van de Nitraatrichtlijn en ongeoorloofde staatssteun niet-ontvankelijk te verklaren in plaats van inhoudelijk te beoordelen.
Standpunt van verweerder
4. Onder verwijzing naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Meststoffenwet (Kamerstukken II, 2015/16, 34 532, nr. 3, paragraaf 4.1), stelt verweerder dat invoering van het fosfaatrechtenstelsel noodzakelijk is gebleken nadat, mede door het vervallen van de melkquotering, het mestproductieplafond in 2015 is overschreden. Daarnaast stelt verweerder dat geen sprake is van ongeoorloofde staatssteun, aangezien de Europese Commissie met de goedkeuringsbeschikking van 19 december 2017 onvoorwaardelijke goedkeuring heeft verleend naar aanleiding van de vraag of het fosfaatrechtenstelsel in overeenstemming is met artikel 107 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).
Beoordeling
5.1
Het betoog van appellante dat het fosfaatrechtenstelsel op het niveau van de regeling strijd oplevert met artikel 1 van Pro het EP en geen grondslag vindt in artikel 5, vijfde lid, van de Nitraatrichtlijn, faalt. Het College verwijst hiervoor naar zijn heropeningsbeslissing van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:522) en uitspraken van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:1-7). Daarin heeft hij al geoordeeld dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van Pro het EP. In de uitspraak van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291) heeft het College dit oordeel verder gemotiveerd.
5.2
Het betoog van appellante dat het fosfaatrechtenstelsel ongeoorloofde staatssteun oplevert, slaagt evenmin. Zoals verweerder terecht stelt, heeft de Commissie bij beschikking van 19 december 2017 (State Aid SA.46349 (2017/N)) een stelsel van verhandelbare fosfaatrechten voor melkvee in Nederland goedgekeurd. Volgens de Commissie vormt de maatregel steun in de zin van artikel 107, eerste lid van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Aangezien met de maatregel een duidelijke milieudoelstelling wordt nagestreefd, heeft de Commissie deze getoetst aan de EU-richtsnoeren inzake staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014-2020. Vervolgens heeft de Commissie vastgesteld dat met het stelsel, conform de richtsnoeren, milieudoelstellingen worden nagestreefd die verder gaan dan de milieunormen waaraan bedrijven op grond van de EU-wetgeving moeten voldoen. Op basis van de nagestreefde milieudoelstellingen heeft de Commissie geconcludeerd dat het stelsel strookt met de EU-regels voor staatssteun op milieugebied. (vergelijk ook de uitspraak van 16 april 2019, ECLI:NL:CBB:2019:140, onder 5.6).
5.3
Tot slot is het College van oordeel dat de motivering van verweerders standpunt in het bestreden besluit toereikend is. Van een motiveringsgebrek is dus geen sprake.
Slotsom
6.1
Het beroep is ongegrond.
6.2
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.C.E. Winfield, in aanwezigheid van mr. C.M.J. Rouwers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 december 2020.
De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen de uitspraak te ondertekenen