ECLI:NL:CBB:2020:945
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fosfaatrechtenstelsel en individuele last op melkveebedrijf
Appellante, exploitant van een melkveebedrijf, betwist het door de minister vastgestelde fosfaatrecht op grond van de Meststoffenwet. Zij voert aan dat het fosfaatrechtenstelsel geen toereikende grondslag heeft in de Nitraatrichtlijn en dat het leidt tot ongeoorloofde staatssteun. Daarnaast stelt zij dat het stelsel een individuele en buitensporige last voor haar vormt, omdat zij investeringen deed voor een groter bedrijf dan op de peildatum aanwezig was.
Het College verwijst naar eerdere uitspraken waarin is vastgesteld dat het fosfaatrechtenstelsel verenigbaar is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en dat het stelsel noodzakelijk is om milieudoelstellingen te behalen. Ook is door de Europese Commissie het stelsel goedgekeurd als milieusteun die voldoet aan de staatssteunregels.
Het College oordeelt dat appellante onvoldoende bewijs heeft geleverd dat het stelsel een individuele en buitensporige last voor haar vormt. Haar beroep op een gebrek aan motivering faalt omdat zij niet concreet heeft onderbouwd waarom het bestreden besluit ontoereikend zou zijn gemotiveerd.
Daarom verklaart het College het beroep ongegrond en wijst het af zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het fosfaatrechtenbesluit wordt ongegrond verklaard.