Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 8 december 2020 in de zaak tussen
[naam 1] h.o.d.n. Bloemsierkunst “ [naam 2] ”, te [plaats] , appellant
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Procesverloop
Overwegingen
In deze titel wordt verstaan onder:
- ,,dier”: een rund als bedoeld in artikel 2, lid 2, onder b) en c), van Richtlijn 64/432/EEG, met inbegrip van dieren die deelnemen aan culturele of sportieve evenementen,
(…)
B bij tenminste 20 % van het aantal aanwezige runderen is niet volledig voldaan aan de identificatie- en registratieverplichtingen, zoals bepaald in de Regeling I&R;
In rubriek 3 met het kopje “Besluit” kan worden aangekruist dat verweerder naar aanleiding van de geconstateerde feiten, gelet op artikel 40, eerste en tweede lid, van de Regeling I&R het volgende verbiedt:
1.“het aanvoeren van runderen, afvoeren van runderen van het bedrijf en het vervoeren of verhandelen van runderen afkomstig van genoemd bedrijf (ingeval A,C en/of D van toepassing is)”, hierna verbod 1 en/of
2. “het afvoeren van runderen en het vervoeren of verhandelen van runderen afkomstig van genoemd bedrijf (ingeval B van toepassing is)”, hierna verbod 2.
Tot slot is op het formulier vermeld dat dit besluit direct na uitreiking in werking treedt en dat het slechts wordt opgeheven nadat betrokkene de gebreken zoals opgenomen in het betreffende controlerapport heeft hersteld.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- verklaart het bezwaar van appellant voor zover gericht tegen het bij het primaire besluit II opgelegde verbod 1 niet-ontvankelijk en herroept het primaire besluit II voor zover daarbij verbod 2 is opgelegd en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover dit strekt tot handhaving van verbod 1 in stand blijven;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een schadevergoeding voor immateriële schade van € 1.000,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan appellant te vergoeden;
€ 2.100,-.
mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 december 2020.