ECLI:NL:CBB:2020:989
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep in accountantstuchtrecht over bestuur NBA en individuele verwijten
In deze zaak zijn hoger beroepen behandeld tegen een uitspraak van de accountantskamer over een klacht van een stichting tegen drie leden van het bestuur van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA).
De klacht betrof vermeende belangenverstrengeling en onevenwichtige samenstelling van het bestuur en toezichthoudende organen, waarbij de klager stelde dat de bestuurders hun invloed hebben aangewend om MKB-kantoren te benadelen en OOB-kantoren te bevoordelen. De accountantskamer verklaarde de klacht ongegrond omdat de klager geen concrete, individuele gedragingen van de bestuurders had onderbouwd.
In hoger beroep bevestigde het College dat de klacht weliswaar tuchtrechtelijk toetsbare gedragingen van individuele beroepsuitoefening moet betreffen, maar dat de klager onvoldoende concreet had gemaakt welke individuele gedragingen verwijtbaar waren. Het College oordeelde dat het bestuurslidmaatschap niet vrijwaart van tuchtrechtelijke aansprakelijkheid, maar dat de klacht onvoldoende was onderbouwd.
Daarom verklaarde het College zowel het hoger beroep van de klager als dat van de bestuurders ongegrond, waarmee de uitspraak van de accountantskamer werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van zowel de klager als de bestuurders wordt ongegrond verklaard en de klacht wordt afgewezen wegens gebrek aan concrete individuele onderbouwing.