In deze zaak heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de uitbetaling van basis- en vergroeningsbetalingen voor het jaar 2016 aan appellante herberekend en een bedrag van €5.614,90 teruggevorderd wegens een overdeclaratie van perceel 18. Appellante stelde dat zij telefonisch was toegezegd dat het doorstrepen van dit perceel geen financiële consequenties zou hebben, waarop zij vertrouwde en daarom geen terugvordering verwachtte.
De minister betwistte dit en stelde dat het eerste telefoongesprek pas op 1 augustus 2016 plaatsvond en dat er geen bewijs is voor de door appellante gestelde toezeggingen. Tevens wees de minister op vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie dat het vertrouwensbeginsel niet kan worden ingeroepen tegen duidelijke bepalingen van het Unierecht.
Het College oordeelde dat appellante onvoldoende bewijs had geleverd voor de gestelde toezeggingen en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel tegen de herberekening niet slaagt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.