Verzoekster, een maatschap, betoogde dat het besluit van 3 januari 2018 waarbij haar fosfaatrecht werd vastgesteld onrechtmatig was, evenals het besluit van 6 juli 2018 waarin een melding bijzondere omstandigheden werd afgewezen. Verweerder, de minister van Landbouw, stelde dat alleen het besluit van 6 juli 2018 onrechtmatig was en voerde verweer tegen het causaal verband tussen de schade en het onrechtmatig handelen.
Het College stelde vast dat zowel het besluit van 3 januari 2018 als dat van 6 juli 2018 onrechtmatig waren, omdat het fosfaatrecht te laag was vastgesteld en de bijzondere omstandigheden niet juist waren meegewogen. Het causaal verband werd erkend voor de schade die voortvloeide uit de aankoop van fosfaatrecht in 2018, maar niet voor de schade door verkoop van negen drachtige vaarzen.
De schadevergoeding werd beperkt tot €25.000, de maximale bevoegdheid van het College, en verweerder werd veroordeeld tot betaling van deze vergoeding, vergoeden van griffierecht en proceskosten. Het verzoek om schadevergoeding werd daarmee toegewezen.