Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een last onder dwangsom opgelegd aan een kuikenbroederij wegens overtreding van de Wet dieren, specifiek het niet tijdig verstrekken van voer en water aan vleeskuikens binnen 36 uur na uitkomst uit het ei. Stichting Wakker Dier had handhavend opgetreden tegen de broederij, wat leidde tot meerdere besluiten en uitspraken, waarbij het College eerder het bezwaar van Wakker Dier gegrond verklaarde en verweerder opdroeg nieuwe besluiten te nemen.
In het bestreden besluit legde de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een last onder dwangsom op met een begunstigingstermijn van vijf jaar en een dwangsombedrag van €34.117 per week. De broederij voerde aan dat de last onvoldoende duidelijk was, de dwangsom onevenredig hoog en de begunstigingstermijn onredelijk lang. Het College oordeelde dat de last voldoende duidelijk was en de hoogte van de dwangsom proportioneel, maar dat de begunstigingstermijn van vijf jaar onvoldoende was onderbouwd.
Het College stelde vast dat de begunstigingstermijn niet wezenlijk langer mag zijn dan nodig om de overtreding te beëindigen en dat verweerder ten onrechte rekening hield met sectorbrede effecten en ononderbouwde bedrijfseconomische omstandigheden. Het beschikbare systeem voor early feeding kan technisch binnen twee jaar worden geïmplementeerd, waardoor vijf jaar te lang is. Het beroep van de broederij werd ongegrond verklaard, het beroep van Wakker Dier gegrond en het bestreden besluit vernietigd. Verweerder moet binnen 13 weken een nieuw besluit nemen met een nieuwe begunstigingstermijn, rekening houdend met de laatste inzichten.