Wakker Dier had beroep ingesteld tegen besluiten van de minister van Landbouw waarin aan broederijen lasten onder dwangsom werden opgelegd om kuikens binnen 36 uur na uitkomst uit het ei van voer en water te voorzien. Het geschil betrof niet de norm zelf, maar de handhaafbaarheid en toepassing daarvan in de praktijk.
Het College constateert dat de minister de norm van 36 uur niet wijzigt, maar vanwege praktische en wetenschappelijke inzichten een marge hanteert waarbij kuikens binnen 6 uur na het openen van de broedkast toegang moeten hebben tot voer en water. Dit is noodzakelijk omdat het exacte moment van uitkomst van het eerste kuiken niet nauwkeurig kan worden vastgesteld en handhaving daardoor moeilijk is.
Het College volgt de minister in deze uitleg en oordeelt dat de aangepaste lasten onder dwangsom en de hoogte van de dwangsommen redelijk en passend zijn. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit wordt niet-ontvankelijk verklaard, maar de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan Wakker Dier.