Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2021:1053

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
7 december 2021
Publicatiedatum
6 december 2021
Zaaknummer
20/1076
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19Handelsregisterwet 2007
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens niet-toepassing juiste SBI-code voor TOGS-regeling

Appellante diende een aanvraag in voor een tegemoetkoming op grond van de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (TOGS), maar deze werd afgewezen omdat de SBI-code waaronder haar onderneming op 15 maart 2020 was geregistreerd niet in de beleidsregel was opgenomen.

Appellante voerde aan dat de feitelijke activiteiten beter aansloten bij een andere SBI-code die wel in de beleidsregel stond en dat zij door een korte periode tussen de wijziging van haar bedrijfsactiviteiten en de peildatum niet tijdig kon inschrijven met de juiste code. Ook stelde zij dat verweerder in een vergelijkbare zaak wel tegemoetkoming had toegekend, wat volgens haar het gelijkheidsbeginsel rechtvaardigde.

Verweerder stelde dat de registratie in het handelsregister leidend is en dat de korte periode geen bijzondere omstandigheid vormt die afwijking van de beleidsregel rechtvaardigt. Het College bevestigde dat het beleid consistent is toegepast en dat de ondernemer verantwoordelijk is voor correcte inschrijving. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagde niet omdat de vergelijkbare zaak een andere situatie betrof.

Het College verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de TOGS-aanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege een niet in de beleidsregel opgenomen SBI-code.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/1076

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 december 2021 in de zaak tussen

[naam 1] , h.o.d.n. [naam 2] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: C. Hoogenraat),
en

de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigden: mr. S.M. Piron en mr. C. Cromheecke).

Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante voor een tegemoetkoming van € 4.000,- op grond van de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (Beleidsregel) afgewezen.
Bij besluit van 16 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en heeft nadere stukken ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Aanleiding van deze procedure
Appellante heeft een Melding ontbrekende SBI-code gedaan en heeft een aanvraag voor een tegemoetkoming op basis van de Beleidsregel ingediend.
Over de onderneming van appellante was op 15 maart 2020 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) de SBI-code 47.91.4 (Detailhandel via internet in kleding en modeartikelen) opgenomen en als bedrijfsomschrijving ‘Webwinkel in kinderkleding, damesmode, tassen en accessoires (shawls, kettingen, armbanden etc.)’.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. De SBI-code waarmee appellante op de peildatum 15 maart 2020 in het handelsregister stond ingeschreven, staat niet in Bijlage 1 van de Beleidsregel. Verder heeft verweerder overwogen dat de bedrijfsomschrijving in het handelsregister niet overeenkomt met een andere SBI-code die wél in Bijlage 1 staat. Tot slot heeft verweerder overwogen dat niet is gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat hij zou moeten afwijken van de Beleidsregel.
Standpunt appellante4.1 Appellante voert aan dat verweerder had moeten uitgaan van de SBI-code 47.71.4 (Winkels in baby- en kinderkleding). Deze SBI-code sluit namelijk aan bij de feitelijke werkzaamheden van de onderneming. Appellante is in 2010 begonnen met de exploitatie van een webwinkel. Vervolgens heeft zij in 2015 een fysieke winkel aan huis geopend en is per 1 maart 2020 een huurovereenkomst ingegaan voor een fysieke winkel op een externe locatie. De SBI-code was echter op 15 maart 2020 nog niet aangepast. Gelet op de korte periode tussen het ingaan van de huurovereenkomst voor de fysieke winkel en de peildatum van 15 maart 2020, was het voor appellante ook niet mogelijk om al met de juiste SBI-code ingeschreven te staan. Appellante voldoet verder aan alle voorwaarden van de Beleidsregel. Dat appellante enkel door een onjuiste SBI-code niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming, maakt dat zij onevenredig zwaar wordt benadeeld.
4.2
Appellante voert verder aan dat verweerder in een soortgelijk geval, namelijk een winkel in dameskleding in [plaats] die ook pas later een juiste SBI-code had geregistreerd, wel is overgegaan tot toekenning van de tegemoetkoming. Op grond van het gelijkheidsbeginsel dient verweerder ook in het geval van appellante over te gaan tot toekenning.
Standpunt verweerder
5. In het verweerschrift heeft verweerder nader toegelicht dat uit de bedrijfsomschrijving, zoals deze op 15 maart 2020 stond geregistreerd in het handelsregister van de KvK, niet kan worden afgeleid dat sprake is van een fysieke winkel. De maatwerkprocedure leidt er daarom niet toe dat appellante in aanmerking komt voor een tegemoetkoming. Daarnaast heeft verweerder zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de korte periode tussen het ingaan van de huurovereenkomst en de peildatum geen bijzondere omstandigheid is die een afwijking van de Beleidsregel rechtvaardigt. Verweerder verwijst in dit kader naar andere ondernemingen die op of rond de peildatum zijn gestart maar nog niet stonden ingeschreven. Ook voor die ondernemingen is geen voorziening getroffen in de Beleidsregel. Tot slot heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de vergelijking met de andere winkel in dameskleding niet op gaat. De onderneming waarnaar appellante verwijst, stond op de peildatum van 15 maart 2020 wél ingeschreven met een SBI-code die is opgenomen in Bijlage 1 van de Beleidsregel.
Beoordeling door het College
6. Het College heeft verschillende uitspraken gedaan over de Beleidsregel. Het College verwijst naar de uitspraken van 22 december 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:992, ECLI:NL:CBB:2020:993, ECLI:NL:CBB:2020:994 en ECLI:NL:CBB:2020:995). Daarin is onder meer geoordeeld dat de Beleidsregel moet worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid. Dit houdt in dat de rechter alleen kan toetsen of het beleid op consistente wijze is toegepast.
7. Net als in genoemde uitspraken heeft verweerder zijn beleid in dit geval op consistente wijze toegepast. Niet de feitelijke activiteiten, maar wat op de peildatum is geregistreerd in het handelsregister is leidend. De ondernemer is verantwoordelijk voor een juiste inschrijving in het handelsregister. In het geval van appellante heeft verweerder de aanvraag voor een tegemoetkoming op grond van de Beleidsregel dan ook terecht afgewezen, omdat de SBI-code waaronder de onderneming van appellante op 15 maart 2020 was geregistreerd, niet is vermeld in Bijlage 1.
8. Bij toepassing van de Beleidsregel toetst verweerder ook of de bedrijfsomschrijving, zoals die op de peildatum was geregistreerd, aanknopingspunten biedt voor een daarbij passende SBI-code die wel op de lijst in die Bijlage is vermeld. Verweerder heeft terecht geconstateerd dat daar in dit geval geen sprake van is. Ook in zoverre heeft verweerder zijn beleid consistent toegepast.
9. Het College volgt verweerder verder in het standpunt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die een afwijking van de Beleidsregel rechtvaardigen. Appellante heeft toegelicht dat zij in 2015 haar bedrijfsactiviteiten heeft gewijzigd door de start van een fysieke winkel aan huis en per 1 maart 2020 een huurovereenkomst is aangegaan voor een fysieke winkel op een externe locatie. Het heeft in 2015, dat is het moment waarop de bedrijfsactiviteiten zijn gewijzigd, al op de weg van appellante gelegen om die wijziging in te laten schrijven in het handelsregister. Dit heeft zij niet gedaan. Ook als zou moeten worden uitgegaan van 1 maart 2020 als wijziging of aanpassing van de activiteiten dan had appellante, op grond van de Handelsregisterwet 2007, die wijziging uiterlijk binnen een week nadien moeten doorgeven aan de Kamer van Koophandel. Niet gebleken is dat appellante activiteiten heeft ondernomen om dat te realiseren.
10. Tot slot is het College van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Verweerder heeft de registratie van de onderneming waarnaar appellante verwijst onderzocht en geconstateerd dat die onderneming op 15 maart 2020 stond ingeschreven in het handelsregister met een SBI-code die wél is opgenomen in Bijlage 1 van de Beleidsregel. De situatie van die onderneming is dus niet vergelijkbaar met de situatie van appellante. Verweerder heeft zijn beleid ook in dit opzicht consistent toegepast.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. drs. L. van Loon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 december 2021.
De voorzitter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.