ECLI:NL:CBB:2021:1059
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen afwijzing herzieningsverzoek fosfaatrecht zoogkoeienhouder
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit om het herzieningsverzoek van appellant op het fosfaatrecht voor zoogkoeienhouderij af te wijzen. Het primaire besluit van 7 december 2018 kende appellant een fosfaatrecht van 0 kg toe op grond van de vrijstellingsregeling zoogkoeienhouderij. Appellant wilde dit besluit herzien omdat hij meende dat het fosfaatrecht onjuist was vastgesteld en dat hij onvoldoende informatie had om een goede keuze te maken.
De minister wees het herzieningsverzoek af omdat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd zoals vereist op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het College bevestigt dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangedragen die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd.
Het College oordeelt dat de afwijzing van het herzieningsverzoek niet evident onredelijk is, mede omdat appellant zelf had verzocht om toepassing van de vrijstellingsregeling. De eerdere uitspraak van het College verplichtte de minister slechts om te beslissen over het verzoek, niet om het fosfaatrecht opnieuw vast te stellen.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van het herzieningsverzoek gehandhaafd.