Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 december 2021 in de zaak tussen
[naam 1] V.O.F., [plaats] , appellante
de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder
.
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellante, exploitant van rederijactiviteiten met het schip de [naam 3], diende een aanvraag in voor subsidie op grond van de TVL-regeling. De aanvraag werd afgewezen omdat zij niet voldeed aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies en de minimale vaste lasten van €4000. Appellante betoogde dat de omzet die tijdens de periode dat het schip eigendom was van een derde werd behaald, aan haar toegerekend moest worden omdat zij de feitelijke exploitatie uitvoerde.
Het College oordeelde dat de TVL-regeling geen ruimte biedt om omzet toe te rekenen aan een onderneming als het eigendom tijdelijk bij een ander lag. De verkoop en terugkoop van het schip waren bedrijfseconomische beslissingen en geen uitzonderlijke omstandigheden die een hardheidsclausule rechtvaardigen. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel werd verworpen omdat het omzetverlies niet direct het gevolg was van het overlijden van een vennoot, maar van de keuzes van appellante.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van de TVL-regeling zonder uitzonderingen voor bijzondere situaties buiten de expliciet genoemde gevallen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de TVL-subsidieaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat niet is voldaan aan het vereiste van 30% omzetverlies.