ECLI:NL:CBB:2021:118
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fosfaatrechtenstelsel en individuele last bij melkveehouderij-uitbreiding
Appellante exploiteert een melkveehouderij en heeft in 2013 plannen gemaakt om uit te breiden van 75 naar 118 melk- en kalfkoeien en van 59 naar 40 stuks jongvee, met bijbehorende investeringen in stallen en vergunningen. Het fosfaatrecht werd vastgesteld op basis van de dierenaantallen op 2 juli 2015, wat lager was dan haar beoogde uitbreiding.
Appellante stelde dat het fosfaatrechtenstelsel haar eigendomsrecht aantast, dat het stelsel niet noodzakelijk is volgens de Nitraatrichtlijn en dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun. Tevens voerde zij aan dat zij een individuele en buitensporige last draagt vanwege haar investeringen en dat het besluit onvoldoende gemotiveerd is.
Het College verwierp deze gronden. Het oordeelde dat het stelsel verenigbaar is met het recht op eigendom en de Nitraatrichtlijn, en dat de Europese Commissie het stelsel als toegestane staatssteun heeft goedgekeurd. De investeringsbeslissingen van appellante zijn ondernemersrisico’s, zeker gezien de waarschuwingen over de afschaffing van het melkquotum en de te verwachten maatregelen.
Het College concludeerde dat appellante geen bedrijfsspecifieke omstandigheden heeft aangetoond die een buitensporige last bewijzen. De belangen van milieubescherming en naleving van de Nitraatrichtlijn wegen zwaarder dan haar belangen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het vastgestelde fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.