ECLI:NL:CBB:2021:128
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen compensatie voor melkveehouder wegens geen eenmalige en tijdelijke verpachting in fosfaatreductieplan
Appellante, een melkveehouder die haar bedrijf had verplaatst en uitgebreid, kreeg heffingen opgelegd op grond van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 vanwege overschrijding van haar referentieaantal runderen. Zij voerde aan dat zij recht had op compensatie wegens eenmalige en tijdelijke verpachting van grond, en dat de regeling in strijd was met haar eigendomsrecht onder artikel 1 van Pro het Europees Protocol (EP).
Het College oordeelde dat appellante onvoldoende bewijs leverde dat de verpachting eenmalig en tijdelijk was, mede omdat zij ook in eerdere jaren grond had verpacht. De Regeling diende het doel de fosfaatproductie te beperken om de derogatie te behouden en was voorzienbaar voor melkveehouders. De individuele last die appellante draagt is niet buitensporig, mede omdat haar uitbreidingsbeslissingen genomen zijn terwijl productiebeperkende maatregelen te verwachten waren.
Het beroep werd ongegrond verklaard. Het College vond dat het belang van de gehele melkveesector bij het behoud van de derogatie zwaarder weegt dan de belangen van appellante. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de opgelegde heffingen blijven gehandhaafd.