ECLI:NL:CBB:2021:13
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond op fosfaatrechtenstelsel wegens niet-aannemelijke individuele buitensporige last
Appellante, een melkveehouderij, investeerde in mei 2015 in de bouw van een nieuwe ligboxenstal en uitbreiding van haar veestapel, voorafgaand aan de peildatum 2 juli 2015 waarop het fosfaatrecht werd vastgesteld. Verweerder stelde het fosfaatrecht vast op basis van de aanwezige dieraantallen op die peildatum, met toepassing van een generieke korting.
Appellante voerde aan dat het fosfaatrechtenstelsel haar financieel zwaar treft vanwege onomkeerbare investeringen en bedrijfsopvolging, en dat het stelsel een individuele en buitensporige last vormt. Verweerder betwistte dit en stelde dat de investeringen niet navolgbaar waren gezien de voorzienbaarheid van het stelsel en dat appellante de risico’s van haar ondernemersbeslissingen draagt.
Het College oordeelde dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het stelsel een individuele en buitensporige last oplevert. De investeringsbeslissingen van appellante waren niet navolgbaar gezien het tijdstip en het ontbreken van een bedrijfseconomische noodzaak. De belangen van milieu en volksgezondheid wegen zwaarder dan die van appellante.
Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het vastgestelde fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.