ECLI:NL:CBB:2021:166
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Herziening fosfaatrecht na onjuiste toepassing knelgevallenregeling en beoordeling vernieling jongveestal
Appellante exploiteert een melkveehouderij en had haar fosfaatrecht vastgesteld gekregen op basis van de veestapel op 2 juli 2015. Zij voerde beroep in tegen de vaststelling, stellende dat door bouwwerkzaamheden en de slechte staat van haar jongveestal het fosfaatrecht onjuist was vastgesteld. Zij stelde dat de knelgevallenregeling van artikel 23, zesde lid, Meststoffenwet van toepassing moest zijn, met name vanwege bouwwerkzaamheden en vernieling van de jongveestal.
Het College oordeelde dat de bouwwerkzaamheden pas per 1 april 2014 waren gestart, zodat de door appellante opgegeven alternatieve peildatum 8 augustus 2013 niet relevant was voor de knelgevallenbeoordeling. Verweerder had het beroep op bouwwerkzaamheden opnieuw beoordeeld en vastgesteld dat appellante niet voldeed aan de 5%-drempel. Ook was er geen sprake van vernieling van de jongveestal, aangezien de slechte staat het gevolg was van jarenlange achterstallige zorg en geen eenmalige calamiteit buiten haar invloedssfeer.
Wel erkende het College dat de vervoederde en weggegooide melk aanvankelijk ten onrechte buiten beschouwing waren gelaten, waardoor het fosfaatrecht moest worden verhoogd naar 3.873 kg. Het bestreden besluit werd vernietigd en het primaire besluit herroepen. Het College veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten en heropende het onderzoek om de door appellante gestelde schade nader te concretiseren en beoordelen.
De beslissing op het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt aangehouden en zal gelijktijdig met de schadebeslissing worden genomen.
Uitkomst: Het fosfaatrecht van appellante wordt vastgesteld op 3.873 kg en het bestreden besluit wordt vernietigd.