ECLI:NL:CBB:2021:196
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vaststelling fosfaatrecht wegens onvoldoende bedrijfseconomische noodzaak uitbreiding melkveehouderij
Appellante exploiteerde oorspronkelijk een vleesvarkenshouderij in een plaats en een gemengd bedrijf met melkvee en vleesvarkens in een andere plaats. Door psychische klachten van de zus, verantwoordelijk voor de vleesvarkenshouderij, werd besloten de locatie met vleesvarkens te sluiten. Ter compensatie en vanwege toekomstige bedrijfsopvolging werd de melkveehouderij uitgebreid.
Verweerder stelde het fosfaatrecht vast op basis van de dierenaantallen op 2 juli 2015, waarbij appellante onvoldoende fosfaatrechten kreeg toegekend voor de beoogde uitbreiding. Appellante stelde dat dit een individuele en buitensporige last opleverde en dat het fosfaatrechtenstelsel onrechtmatig was.
Het College oordeelde dat het fosfaatrechtenstelsel verenigbaar is met het recht op eigendom en dat de uitbreiding van de melkveehouderij niet bedrijfseconomisch noodzakelijk was. De wens om het bedrijf toekomstbestendig te maken voor de bedrijfsopvolging is geen geldige reden voor een grotere uitbreiding. De financiële gevolgen van de investeringsbeslissingen zijn voor eigen risico van appellante. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het vastgestelde fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.