ECLI:NL:CBB:2021:223
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fosfaatrechtenstelsel en individuele last bij uitbreiding melkveebedrijf
De v.o.f. exploiteerde een melkveebedrijf en bestond uit appellant en zijn broer. In 2014 besloot de v.o.f. uit te breiden, waarbij de broer zijn fulltime dienstverband buiten het bedrijf opzegde. Verweerder stelde het fosfaatrecht vast op basis van de dierenaantallen op 2 juli 2015 en handhaafde dit bij bezwaar. Appellant stelde dat het fosfaatrechtenstelsel niet voorzienbaar was en dat hem een individuele en buitensporige last werd opgelegd, mede door onomkeerbare investeringen.
Het College oordeelt dat het fosfaatrechtenstelsel voorzienbaar was, mede gezien eerdere waarschuwingen vanaf 2013 en de afschaffing van het melkquotum. Ook grondgebonden groei draagt bij aan het fosfaatplafond en wordt niet uitgezonderd van maatregelen. Het College stelt dat niet ieder vermogensverlies een buitensporige last is en dat ondernemersbeslissingen inherent risico’s dragen.
De uitbreiding van het bedrijf was niet noodzakelijk vanuit bedrijfseconomisch oogpunt, aangezien de broer van appellant al zijn eigen inkomen had via een fulltime baan buiten het bedrijf. De investeringen en uitbreidingsbeslissingen waren niet navolgbaar gezien de omstandigheden en het tijdstip. De belangen van milieu en volksgezondheid wegen zwaarder dan de belangen van appellant.
Verder oordeelt het College dat de redelijke termijn voor bezwaar en beroep is overschreden, waardoor verweerder wordt veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €1.000,- en proceskosten van €267,- aan appellant. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn.