ECLI:NL:CBB:2021:235
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van fosfaatrechtenstelsel en individuele last bij melkveehouder
Appellant, een melkveehouder, betwistte het door de minister vastgestelde fosfaatrecht op grond van de Meststoffenwet, stellende dat het fosfaatrechtenstelsel onvoorzienbaar was en een individuele en buitensporige last opleverde. Hij voerde aan dat hij investeringen had gedaan in uitbreiding van zijn bedrijf zonder dat productiebeperkende maatregelen duidelijk waren, en dat het stelsel het ongestoord genot van zijn eigendom aantastte.
Het College overwoog dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en dat het risico van productiebeperkende maatregelen na de afschaffing van het melkquotum voorzienbaar was. De investeringen van appellant waren na 2 juli 2015 gedaan, het moment waarop het stelsel kenbaar was, waardoor geen ruimte bestaat voor een individuele buitensporige last.
Verder stelde het College dat ondernemersbeslissingen inherent risico's dragen en dat appellant de gevolgen van zijn uitbreidingsbeslissingen zelf moet dragen. De financiële rapportages toonden wel een substantieel nadeel, maar dat is onvoldoende voor een individuele buitensporige last. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd, waarbij het milieubelang en de naleving van de Nitraatrichtlijn zwaarder wogen dan de belangen van appellant.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen het vastgestelde fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.