Op 19 januari 2021 heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat de chauffeurskaart van verzoeker geschorst op grond van een melding van het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag (COVOG) en informatie van de Justitiële Informatie Dienst dat verzoeker recentelijk met justitie in aanraking is gekomen. Verdere details over de verdenkingen zijn niet aan verweerder bekendgemaakt noch in het besluit vermeld.
Verzoeker maakte bezwaar tegen deze schorsing en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, zodat hij zijn werkzaamheden als taxichauffeur kon voortzetten. Tijdens de mondelinge behandeling op 25 februari 2021 verscheen verzoeker met zijn gemachtigden en de gemachtigden van verweerder.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot schorsing gebruik heeft kunnen maken, omdat de ernst van de feiten die aanleiding gaven tot twijfel over de betrouwbaarheid van verzoeker niet kenbaar was afgewogen. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, het besluit tot schorsing geschorst en verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker.