ECLI:NL:CBB:2021:767
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking chauffeurskaart wegens niet tijdig overleggen nieuwe VOG
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister van Infrastructuur en Waterstaat om zijn chauffeurskaart in te trekken omdat hij niet tijdig een nieuwe Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) had overgelegd na een melding van het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag (COVOG).
De voorzieningenrechter overwoog dat de melding van het COVOG een vermoeden rechtvaardigt dat verzoeker niet meer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een VOG. Verweerder mocht daarom in redelijkheid verzoeker om een nieuwe VOG vragen, waarbij een belangenafweging voorafgaand aan het verzoek noodzakelijk is geweest. Verweerder had verzoeker een redelijke termijn van ruim negen weken gegeven om de VOG te overleggen.
Verzoeker stelde dat hij door een storing bij de gemeente pas na drie weken een afspraak kon maken voor de VOG-aanvraag en dat hij om een extra termijn had verzocht, maar dit werd afgewezen. De voorzieningenrechter achtte deze omstandigheden onvoldoende om de intrekking van de chauffeurskaart te voorkomen.
Daarom kon het intrekkingsbesluit naar voorlopig oordeel in stand blijven en werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de chauffeurskaart wordt afgewezen.