Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 16 maart 2021 in de zaak tussen
Maatschap [naam] , te [plaats] , appellante
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).
Procesverloop
€ 4.000,- wordt ingevorderd.
Overwegingen
Tot slot stelt appellante dat in het rapport van bevindingen ten onrechte geen melding wordt gemaakt van de warme weersomstandigheden (29 ºC) op 2 juli 2018, waardoor de mest veel sneller droogt en daardoor ouder lijkt dan normaal. Dit betekent volgens appellante dat, voor zover in de hokken 2 en 3 van stal B mest heeft gelegen, deze mest op het moment van de controle (tussen 10.00 uur en 11.00 uur) hooguit enkele uren oud was. Het is onmogelijk om de hokken na iedere ‘plas of poep’ volledig te reinigen en de toepasselijke wet- en regelgeving verplicht haar daartoe ook niet, aldus appellante.
Wij zagen dat in stal B, verdeeld over drie hokken, in totaal 3 runderen werden gehuisvest. Wij zagen dat in hok 1 twee runderen waren gehuisvest. Wij zagen dat de rooster- en de dichte vloer vervuild waren met oude en verse mest. Wij zagen dat de vacht van deze runderen aan de onder poten en de buik vervuild waren met aangekoekte oude en verse mest. Kennelijk konden deze twee runderen al lange tijd niet over een schone, droge en comfortabele ligplaats beschikken.
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot betaling aan appellante van een vergoeding van immateriële schade van € 571,54;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding voor immateriële schade van € 428,57;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 267,-;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 267,-.