Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2021 in de zaak tussen
Maatschap [naam] , te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellante,
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), de Staat
Procesverloop
9 augustus 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:8944) toegewezen en de Regeling voor appellante buiten werking gesteld.
Overwegingen
2 juli 2015 (de peildatum) en kent een bonusgeldsom toe indien een melkveehouder minder vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op de peildatum. Het aantal runderen wordt uitgedrukt in grootvee-eenheid (GVE).
Bij brief van 24 november 2017 heeft verweerder appellante meegedeeld dat uit het arrest van gerechtshof Den Haag van 31 oktober 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3067, volgt dat de Regeling met terugwerkende kracht volledig van toepassing is op appellante en dat het opleggen van heffingen dan wel toekennen van bonusgeldsommen zal worden hervat.
23 december 2017 ingediende bezwaarschrift bezwaar heeft gemaakt tegen de brief van 24 november 2017. Hij heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze brief geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarnaast heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 27 januari 2018 ongegrond verklaard.
Omvang geding
Gronden beroep-de bevoegdheidsgrondslag
-de niet-ontvankelijkverklaring
24 november 2017. Bij dit besluit had verweerder ook moeten beslissen op het bezwaar tegen de toepassing van de Regeling betreffende de periodes 1 tot en met 4. In zoverre schiet dit besluit tekort. Nu verweerder zich met het wijzigingsbesluit alsnog heeft uitgesproken over de toepassing van de Regeling betreffende de periodes 1 tot en met 4 is er geen belang meer bij een opdracht om op dit bezwaar te beslissen. Het beroep tegen besluit 1 dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.
-de inningstermijn en de verrekening
-individuele en buitensporige last
21 augustus 2018, ECLI:NL:CBB:2018:414, was de Regeling voorzienbaar en is op het niveau van de Regeling als zodanig sprake van een fair balance. De volgende vraag is of de Regeling in het geval van appellante zodanig uitwerkt, dat in haar geval sprake is van een individuele en buitensporige last.
25 februari 2020, ECLI:NL:CBB:2020:114, onder 6.9).
Op 13 oktober 2014 is appellante overeenkomsten voor renovatie en uitbreiding van de bestaande ligboxenstal aangegaan voor in totaal € 472.500,00. In de periode december 2013 – april 2014 heeft zij diverse pachtovereenkomsten gesloten. Ook is zij op 10 september 2014 met een bank een lening van
€ 550.000,00 en een krediet van € 50.000,00 overeengekomen die bij de op dat moment bestaande totale schuldenlast van bijna € 1,2 miljoen komen. Verder heeft appellante op 20 mei 2015 een financiële lease-huurkoopovereenkomst afgesloten voor een melkkoeltank van ruim € 40.000,00. Op de peildatum
2 juli 2015 hield appellante 125 melk- en kalfkoeien en 76 stuks jongvee.
-zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
-overschrijding van de redelijke termijn
28 februari 2018. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de tweejaartermijn met meer dan twaalf maanden overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, heeft appellante daarom recht op een vergoeding van € 1.500,00 aan immateriële schade.
Slotsom
Beslissing
niet-ontvankelijk;
€ 1.602,00.
mr. A.J. Jansen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
16 maart 2021.