ECLI:NL:CBB:2021:295
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vaststelling fosfaatrechten onder Meststoffenwet
Appellante, een melkveehouderij, had geïnvesteerd in de uitbreiding van haar bedrijf met een nieuwe ligboxenstal in 2014, voorafgaand aan de peildatum van het fosfaatrechtenstelsel op 1 januari 2018. Verweerder had het fosfaatrecht vastgesteld op basis van het aantal dieren op 2 juli 2015, waarna appellante bezwaar maakte dat het stelsel haar eigendomsrecht aantastte en een individuele en buitensporige last oplegde.
Het College overwoog dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en dat niet ieder vermogensverlies een buitensporige last vormt. Het feit dat appellante in 2014 investeerde in een forse uitbreiding, terwijl zij rekening had kunnen houden met de afschaffing van het melkquotum en de gevolgen daarvan, maakt de investeringen niet navolgbaar. De bescherming van milieu en volksgezondheid weegt zwaarder dan de belangen van appellante.
Ook het betoog dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd werd verworpen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het vastgestelde fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.