Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2021 in de zaak tussen
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
De per 1 januari 2018 geldende fosfaatrechtenregeling kent in artikel 72 van Pro het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, na een advies van de Commissie knelgevallen fosfaatrechten (bijlage bij Kamerstukken II, 2016–2017, 34 532, nr. 100, p. 8), een aanvullend knelgeval, namelijk nieuw gestarte bedrijven (startersregeling). Dit artikel maakt, indien aan een cumulatief aantal voorwaarden is voldaan, een compensatie mogelijk van het verschil tussen de feitelijke melkveebezetting op de peildatum en de op die datum aanwezige stalcapaciteit. Voor de toepassing van de Regeling heeft verweerder bij brief van 15 september 2017 deze situatie eveneens als knelgeval aangemerkt, zonder dat de Regeling zelf hierop is aangepast (Kamerstukken II, 2016–2017, 33 037, nr. 223). Indien aan de voorwaarden is voldaan, wordt 50% van het verschil tussen de feitelijke melkveebezetting op 2 juli 2015 en de op die datum aanwezige stalcapaciteit gecompenseerd.
Feiten
Besluitvorming
Beroep
Door het referentieaantal van 0 GVE was de oplegging van aanzienlijke geldsommen onvermijdelijk. Appellante stelt dat zij onvoldoende draagkracht heeft om de opgelegde geldsommen te betalen en verwijst in dat kader op de door haar in bezwaar overgelegde rapportage en de berekening die zij in november 2020 in overleg met ambtenaren van het ministerie heeft opgesteld. Handhaving van de opgelegde geldsommen zal in haar geval een faillissement van het bedrijf betekenen, aldus appellante.
Appellante heeft voor de peildatum haar plannen ontwikkeld en de melkveehouderij aangekocht. Ook heeft zij kort na die aankoop, en eveneens vóór de peildatum, haar bedrijf aangemeld voor een SKALregistratie. Tijdens de omschakelperiode naar biologische landbouw moet aan alle voorwaarden voor biologische productie worden voldaan. Pas na een omschakelperiode, die afhankelijk van het type bedrijf een à twee jaar in beslag neemt, mag het bedrijf het predicaat ‘biologische melk’ voeren. Niet in geschil is dat eerst de gronden op het bedrijf van appellante moesten worden omgeschakeld en dat appellante daarmee reeds in januari 2015 is begonnen. Vervolgens heeft zij begin 2016 de Jerseykoeien op haar bedrijf aangevoerd en is zij gestart met de productie van biologische melk. Dat appellante niet de keuze heeft gemaakt het bedrijf direct na aankoop vol te zetten met runderen, acht het College begrijpelijk. Niet in geschil is immers dat daarmee de SKAL-registratie vertraging zou hebben opgelopen nu bedrijven vanaf de aanmelding direct aan de voorwaarden voor een biologische bedrijfsvoering moeten voldoen. Het kan appellante in zoverre in redelijkheid niet worden tegengeworpendat zij op de peildatum geen representatief aantal runderen op haar bedrijf hield, en daarmee geen representatief referentieaantal had. Het College acht daarbij tevens van belang dat, zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 3 is overwogen, de voorwaarden voor toepassing van de startersregeling eerst in september 2017, en dus jaren na de door appellante gemaakte keuze voor een biologische bedrijfsvoering, duidelijk werden. De nadelige gevolgen van die keuze, met de daarmee gepaard gaande vertraging in het kunnen houden van runderen en het starten met melken, kunnen daarom niet volledig voor risico van appellante worden gelaten.
Het College acht daarbij verder nog van belang dat appellante op de peildatum over de juiste vergunningen beschikte en zij op haar bedrijf uiteindelijk niet meer runderen is gaan houden dan op het voorgaande bedrijf mogelijk was op basis van de vigerende vergunningen en het bestaand gebruik. De uitbreiding naar 105 melkkoeien en 65 stuks jongvee – het aantal runderen dat zij op basis van de Nbw-vergunning van 7 oktober 2015 op haar bedrijf mocht houden – heeft zij niet doorgezet
.De keuze van appellante en de daarmee gepaard gaande investeringen hebben in zoverre dan ook geen nadelige effecten op het behalen van het doel van de Regeling gehad, te weten onder het fosfaatplafond blijven en daarmee het behoud van de derogatie. Daarentegen zijn wel zeer hoge geldsommen van in totaal bijna € 190.000,- aan appellante opgelegd. De heffingen vormen voor appellante een aanzienlijke financiële last, temeer nu zij, als gevolg van de afwezigheid van runderen op de peildatum, met ingang van 1 januari 2018 ook geen fosfaatrechten toegewezen heeft gekregen en mede daardoor onvoldoende vermogen heeft om deze last te kunnen dragen.
Ten slotte acht het College het standpunt van verweerder dat appellante een andere keuze had kunnen maken en de door haar gemaakte keuzes daarom voor haar rekening en risico dienen te blijven, moeilijk verenigbaar met het gegeven dat verweerder appellante in oktober 2015, dus ná de peildatum, nog een garantstelling heeft verleend voor een lening van € 160.000,-. Verweerder had al deze aspecten bij zijn besluitvorming moeten betrekken.
.Dit betekent dat een deel van de heffingen wel voor rekening van appellante wordt gelaten. Het College acht daarbij van belang dat appellante, anders dan bijvoorbeeld in het geval dat heeft geleid tot de uitspraak van 16 maart 2021(ECLI:NL:CBB:2021:264), de reële mogelijkheid had om de hoeveelheid runderen op haar bedrijf in 2017 in ieder geval gedeeltelijk te reduceren tot aan het doelstellingsaantal, zodat aanzienlijk lagere solidariteitsgeldsommen in plaats van hoge geldsommen aan haar zouden zijn opgelegd.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept de primaire besluiten;
- stelt de heffing vast op € 19.217,- voor periode 1, € 18.780,- voor periode 2, € 19.437,50 voor periode 3, € 19.471,- voor periode 4 en € 17.784,- voor periode 5;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,- aan appellante te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte kosten in bezwaar en beroep tot een bedrag van € 2.136,-.