ECLI:NL:CBB:2021:345
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit fosfaatrecht wegens motiveringsgebrek zonder wijziging rechtsgevolgen
Appellante, een melkveebedrijf, betwistte het vastgestelde fosfaatrecht omdat zij op de peildatum 2 juli 2015 nog niet beschikte over de benodigde Nbw-vergunning voor haar beoogde uitbreiding, wat volgens haar tot een individuele en buitensporige last leidde. Het College oordeelt dat appellante vanaf november 2013 wel de mogelijkheid had om de vergunning aan te vragen, maar ervoor koos dit uit bedrijfseconomische overwegingen uit te stellen, waardoor geen sprake is van een individuele en buitensporige last.
Het College constateert een motiveringsgebrek in het bestreden besluit omdat de minister niet inhoudelijk op alle bezwaargronden is ingegaan, met name over de Nitraatrichtlijn en ongeoorloofde staatssteun. Dit leidt tot vernietiging van het besluit, maar de rechtsgevolgen blijven in stand omdat de minister in beroep alsnog een juiste motivering heeft gegeven.
De zaak omvat uitgebreide overwegingen over de rechtmatigheid van het fosfaatrechtenstelsel, de toetsing aan artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, en de ondernemersrisico's van appellante. Het College benadrukt dat investeringsbeslissingen en vertragingen in vergunningverlening voor rekening van de ondernemer komen, tenzij bijzondere omstandigheden worden aangetoond.
De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van appellante. De uitspraak is gedaan door mr. M.C. Stoové namens het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 30 maart 2021.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.